Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4291

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
07-12-2015
Zaaknummer
14/4169 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op een ZW-uitkering, omdat appellant weer geschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4169 ZW

Datum uitspraak: 18 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
11 juni 2014, 14/541 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. El Ahmadi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2015. Namens appellant is verschenen mr. El Ahmadi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1

Appellant is tot 31 januari 2010 werkzaam geweest als schoonmaker van treinmotoren voor 40 uur per week. Met ingang van 1 maart 2010 heeft het Uwv hem in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op 29 november 2012 heeft appellant zich ziek gemeld vanwege rug- en longklachten. Het Uwv heeft hem in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Een verzekeringsarts van het Uwv heeft onderzoek verricht en zijn bevindingen en conclusies neergelegd in het rapport van 8 oktober 2013. Bij besluit van 28 oktober 2013 heeft het Uwv bepaald dat appellant met ingang van 4 november 2013 geen recht (meer) heeft op een ZW-uitkering, omdat hij met ingang van die datum weer geschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

1.3.

Bij besluit van 24 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 oktober 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het door de verzekeringsartsen van het Uwv verrichte onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en de bevindingen en conclusies van die onderzoeken het bestreden besluit kunnen dragen. Het Uwv heeft volgens de rechtbank met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellant per 4 november 2013 geschikt moet worden geacht voor zijn arbeid. De rechtbank heeft in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding gezien voor een andersluidend oordeel. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellant zijn stellingen niet heeft onderbouwd met informatie van behandelend artsen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat hij door zijn psychische klachten, in de vorm van een depressie, slaapproblemen, nachtmerries, doodsgedachten, en door zijn lichamelijke klachten, bestaande uit pijn in de lage rug, benauwdheid en hoofdpijn, niet in staat is om zijn arbeid te verrichten. Appellant was voor zijn psychische klachten onder behandeling bij het Centrum voor transculturele geestelijke gezondheidszorg. Deze behandeling is vanwege financiële redenen gestaakt.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van het vijfde lid van dit artikel wordt, voor een verzekerde die geen werkgever heeft, onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: de ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt die tot de zijne. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die aanleiding zou kunnen vormen voor een andersluidend oordeel. Er bestaat dan ook geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen, zoals namens appellant ter zitting is verzocht.

4.3.

Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van

J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

18 november 2015.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) J.R. van Ravenstein

AP