Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4286

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2015
Datum publicatie
07-12-2015
Zaaknummer
12/2009 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitenlandbijdrage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/13

Uitspraak

12/2009 ZVW

Datum uitspraak: 13 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

16 maart 2012, 11/872 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , Verenigd Koninkrijk (appellant)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door het Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan het Cvz.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft desgevraagd vragen van de Raad beantwoord en partijen hebben nadere reacties en stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2014. Appellant is daarbij in persoon verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.M. Nijman.

De Raad heeft het onderzoek niet volledig geacht en heeft aanleiding gezien het onderzoek te heropenen ten einde vragen aan het Zorginstituut voor te leggen.

Het Zorginstituut heeft op deze vragen gereageerd, laatstelijk bij brief van 3 september 2015. Appellant heeft op enkele brieven gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven voor afdoening buiten zitting. Hierna is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is geboren [in] 1938 en heeft tot 1964 in Nederland gewoond en/of gewerkt. Voorts heeft appellant in Duitsland en in België gewoond en gewerkt, in Nederland gewerkt en in Frankrijk gewoond. Vanaf 1 november 2010 wonen appellant en zijn echtgenote in het Verenigd Koninkrijk. Volgens appellant is hij al sinds 1991 bij de National Health Service (NHS) in het Verenigd Koninkrijk aangesloten. Appellant en zijn echtgenote hebben ook een ziektekostenverzekering bij Ohra in Nederland. Vanaf juli 2003 ontvangt appellant een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Naast dit pensioen ontvangt appellant ook wettelijke ouderdomspensioenen uit België en Duitsland. Appellant ontvangt geen wettelijk pensioen uit het Verenigd Koninkrijk. De Engelse echtgenote van appellant ontvangt vanaf 26 maart 2012 een Engels wettelijk pensioen.

1.2.

Bij brief van 19 november 2010 heeft de Sociale verzekeringsbank aan appellant meegedeeld dat op verzoek van het Zorginstituut met ingang van 1 december 2010 een bijdrage Zorgverzekeringswet (buitenlandbijdrage) wordt ingehouden op zijn AOW-pensioen.

1.3.

Bij brief van 25 januari 2011 heeft het Zorginstituut aan appellant meegedeeld dat hij ingevolge Europese regels op grond van zijn Nederlandse pensioen recht heeft op medische zorg in zijn woonland, het Verenigd Koninkrijk, voor rekening van Nederland. Hij is hiervoor een bijdrage Zorgverzekeringswet (buitenlandbijdrage) verschuldigd aan het Zorginstituut die zal worden ingehouden op zijn pensioen. Voorts zijn meegestuurd E 121-formulieren waarmee appellant en zijn echtgenote zich kunnen inschrijven bij het Engelse bevoegde orgaan.

1.4.

Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant, evenals zijn echtgenote als gezinslid, ingevolge de met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden Zorgverzekeringswet (Zvw) met toepassing van artikel 25 van Verordening (EG)

nr. 883/2004 (Vo 883/2004) ingaande november 2010 recht hebben op zorg in het woonland (Verenigd Koninkrijk), ten laste van het pensioenland Nederland. Voor dit recht op zorg is ingevolge artikel 30 van Vo 883/2004 in verbinding met artikel 69 van de Zvw een buitenlandbijdrage verschuldigd die wordt ingehouden op het pensioen van appellant.

1.5.

De tegen de besluiten van 19 november 2010 en 25 januari 2011 gemaakte bezwaren, zijn bij besluit van 1 februari 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij inmiddels oververzekerd is voor ziektekosten en dat voorts onvoldoende rekening is gehouden met de speciale omstandigheden van zijn echtgenote die de Engelse nationaliteit heeft, een Engels Staatspensioen ontvangt, recht heeft op zorg van de NHS en verder geen (financiële) banden met Nederland heeft. Appellant vindt het niet redelijk dat hij ook voor haar een buitenlandbijdrage moet betalen. Voorts heeft appellant gesteld dat zijn echtgenote reeds recht had op een wettelijk pensioen vanaf haar 60e verjaardag op 5 maart 2004, maar dat zij dit pensioen bewust uitgesteld heeft aangevraagd in 2012. Voorts ontving zij ook al vanaf eind 2010 een Winter Fuel Payment.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is primair in geschil of het Zorginstituut vanaf 1 december 2010 ingevolge artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 30 van Vo 883/2004 een buitenlandbijdrage heeft mogen (laten) inhouden op het pensioen van appellant, op de grond dat hij en zijn echtgenote ingevolge artikel 25 van Vo 883/2004 recht hebben op verlening van verstrekkingen bij ziekte in hun woonland, het Verenigd Koninkrijk, ten laste van Nederland. Hierbij wordt opgemerkt dat het Zorginstituut vanaf 1 april 2012 geen buitenlandbijdrage meer in rekening heeft gebracht voor de echtgenote van appellant, omdat zij vanaf die datum een prevalerend recht heeft in het Verenigd Koninkrijk.

4.2.

Appellant ontvangt wettelijke pensioenen uit verschillende lidstaten, maar niet uit zijn woonland het Verenigd Koninkrijk. In dit land geldt voor het recht op verstrekkingen een ingezetenenstelsel, zodat wordt vastgesteld dat appellant onder de werkingssfeer van artikel 25 van Vo 883/2004 valt. Voor zover appellant bedoeld heeft te stellen dat hij wegens zijn particuliere verzekeringen geen behoefte heeft aan dit verdragsrecht, wordt verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 14 oktober 2010, Van Delft e.a., C-345/09 en de daarop gevolgde rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7125). Een keuzerecht om zich al dan niet te onderwerpen aan de werkingssfeer van artikel 25 van Vo 883/2004 is er derhalve niet.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant, overeenkomstig de uitleg in het arrest van het Hof van 10 oktober 2013, Van der Helder en Farrington, C-321/12, het langst onderworpen is geweest aan de in artikel 24, tweede lid, onder b, van Vo 883/2004 bedoelde wettelijke pensioenregelgeving van Nederland, zodat de verstrekkingen voor zorg in zijn woonland het Verenigd Koninkrijk ten laste komen van Nederland. Nu Nederland als bevoegd pensioenland verantwoordelijk is voor de betaling van de kosten van zorg in het woonland mag Nederland ingevolge artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 30 van Vo 883/2004 een buitenlandbijdrage heffen en (laten) inhouden op het pensioen van appellant.

4.4.

Deze buitenlandbijdrage is ook verschuldigd voor de echtgenote, voor zover zij als verdragsgerechtigd gezinslid, eveneens recht heeft op zorg in haar woonland ten laste van Nederland. Hieraan kan niet afdoen dat de echtgenote van appellant, als ingezetene van het Verenigd Koninkrijk, een wettelijk recht heeft op verstrekkingen op grond van de NHS, nu op die situatie artikel 25 van Vo 883/2004 juist van toepassing is. Dit wettelijk recht op verstrekkingen is immers niet afhankelijk gesteld van voorwaarden inzake verzekering of arbeid, waarbij wordt gedoeld op een recht op verstrekkingen gekoppeld aan de verzekering op grond van ontvangen wettelijke uitkeringen, dan wel gekoppeld aan het al dan niet in loondienst verrichten van werkzaamheden. Uit het door het Zorginstituut overgelegde

E 121-formulier van 16 juli 2015 blijkt dat het bevoegde Engelse orgaan de echtgenote van appellant van 1 november 2010 tot april 2012 als (verdragsgerechtigd) gezinslid heeft ingeschreven, omdat pas vanaf laatstgenoemde datum sprake was van een prevalerend recht op grond van het ontvangen State Retirement Pension. Niet gebleken is dat het Engelse orgaan is uitgegaan van onjuiste gegevens met betrekking tot de rechtspositie van de echtgenote dan wel dat de echtgenote eerder dan de ontvangst van haar Engelse pensioen recht had op een zelfstandig wettelijk recht op zorg, zoals in artikel 25 van Vo 883/2004 bedoeld. Hierbij wordt nog opgemerkt dat de echtgenote van appellant weliswaar recht zou hebben gehad op een wettelijk pensioen per 5 maart 2004, maar dat ingevolge artikel 25 van Vo 883/2004 alleen relevant is met ingang van welke datum het wettelijk pensioen is ontvangen. Verwezen wordt in dit verband ook naar de uitleg die het Hof in het arrest van

4 juni 2015, Fischer-Lintjens, C-543/13, heeft gegeven aan het begrip “verschuldigd” in de artikelen 27 en volgende van de tot 1 mei 2010 geldende Verordening (EEG) nr. 1408/71 inhoudende dat een pensioen verschuldigd is vanaf het begin van de periode waarvoor dit pensioen daadwerkelijk is uitbetaald. Uit de in hoger beroep overgelegde stukken is niet gebleken dat de echtgenote van appellant eerder dan op 26 maart 2012 een wettelijk pensioen heeft ontvangen als bedoeld in artikel 25 van Vo 883/2004. Hoewel het Engelse orgaan is uitgegaan van de datum 9 april 2012 als ingangsdatum van het prevalerende recht, is dat voor de berekening van de buitenlandbijdrage niet van belang, nu het Zorginstituut na 1 april 2012 geen buitenlandbijdrage voor de echtgenote meer heeft geheven. Ook de overige door appellant genoemde omstandigheden betreffende zijn echtgenote leiden niet tot het oordeel dat het Zorginstituut ten onrechte een buitenlandbijdrage voor haar heeft vastgesteld over de periode van 1 november 2010 tot 1 april 2012.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2015.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) M.D.F. de Moor

TM