Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4280

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2015
Datum publicatie
04-12-2015
Zaaknummer
14/961 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toewijzing ongekorte WW-uitkering. Dat het contract voor servicemedewerker een tijdelijke functie betrof, en diende als overbrugging voor de periode dat appellant niet over een beveiligerspas beschikte, blijkt niet uit het contract en ook niet uit enig ander stuk. Integendeel, vastgesteld is dat [S.] nooit een aanvraag heeft gedaan voor de voor het werk voor beveiliger noodzakelijke verlenging van de beveiligerspas. Er is dan ook geen sprake van dat appellant met zijn uitlating of opstelling enige op hem rustende verplichting op grond van de WW heeft geschonden. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2016/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/961 WW

Datum uitspraak: 2 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

10 januari 2014, 13/798 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klinkert. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 31 augustus 2010 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

In het kader van de re-integratie van appellant heeft hij een opleiding tot Beveiliger 2 gevolgd. Bij het behalen van het diploma zou aansluitend een arbeidsovereenkomst worden aangeboden voor de periode van minstens zes maanden bij [het bedrijf S.] ([S.]).

1.3.

Op 1 november 2012 heeft appellant de opleiding met succes afgerond. Op 12 december 2012 heeft [S.] per e-mail aan het Uwv laten weten dat aan appellant geen baan zal worden aangeboden. De relevante passage uit die e-mail luidt als volgt:

‘‘We hebben besloten [appellant] geen baan aan te bieden. Reden hiervoor is zijn bezoek gisteren aan 1 van onze opdrachtgevers waarbij hij uiterst negatief is geweest over ons bedrijf tegenover meerdere cursisten en onze praktijkbegeleider. Onze praktijkbegeleider heeft dit ook per mail aan ons bevestigd.

Gezien het feit dat we nog steeds in onderhandeling zijn over zijn overeenkomst vinden we dit zeer onbehoorlijk gedrag.

Daarbij opgeteld alle overige omstandigheden waardoor wij al onze twijfels hadden over [appellant] is dit voor ons de druppel geweest.’’

2. Bij besluit van 25 januari 2013 heeft het Uwv de uitkering van appellant met ingang van

21 januari 2013 over een periode van vier maanden met 50% verlaagd. Als onderbouwing voor dat besluit heeft het Uwv gesteld dat appellant eisen stelt die het aanvaarden/verkrijgen van passende arbeid belemmeren.

3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 januari 2013. Bij beslissing op bezwaar van 17 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe gesteld dat appellant langdurig werkloos was en in dat geval elke vorm van arbeid diende te aanvaarden. Appellant heeft een contract aangeboden gekregen voor een functie die hij niet voor ogen had, maar betaalde arbeid verdient altijd de voorkeur boven langer werkloos zijn. Enkel door het ondertekenen van het aangeboden contract zou appellant een baan hebben gehad. Daarom was het niet gerechtvaardigd een contract als servicemedewerker te weigeren. Het mogelijke nalaten en onzorgvuldig handelen van de kant van [S.] staat volgens het Uwv los van de verplichting van appellant om elke vorm van passende arbeid te aanvaarden.

4. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven dat appellant de aangeboden functie van servicemedewerker, ondanks zijn opleiding tot beveiliger, had moeten aanvaarden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant aldus nagelaten passende arbeid te aanvaarden, dan wel door eigen toedoen geen passende arbeid verkregen.

5.1.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat geen sprake was van een weigering van aangeboden werk omdat hij nog in onderhandeling was. Verder heeft appellant gesteld dat hetgeen werd aangeboden geen passend werk was, omdat hij zich gedurende zes maanden mocht richten op werk op het niveau waarvoor hij door zijn opleiding was gekwalificeerd.

5.2.

Het Uwv heeft in verweer gesteld dat de gedraging van appellant moet worden aangemerkt als het door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgen. Volgens het Uwv is appellant een concreet aanbod gedaan, maar is dat ingetrokken toen appellant zich uiterst negatief uitliet over [S.]. De aangeboden arbeid was naar de mening van het Uwv, gelet op de Richtlijn passende arbeid 2008, passend omdat het daarbij niet gaat om de functie maar om het niveau waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd. Beide functies waren op MBO-niveau.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de onderdelen 4.1 tot en met 4.5 van de aangevallen uitspraak.

6.2.

Appellant is op 4 november 2011 een opleiding tot beveiliger 2 gaan volgen. Bij succesvol afronden van die opleiding was hem een baan voor ten minste zes maanden gegarandeerd. Op 1 november 2012 heeft appellant die opleiding met succes afgerond. Appellant heeft een beschrijving gegeven van de gang van zaken vanaf die datum die door Uwv niet is betwist en die niet wordt weersproken door het summiere feitenonderzoek dat door het Uwv is verricht, zodat deze beschrijving zal worden gevolgd. [S.] heeft niet onmiddellijk na het behalen van het diploma gereageerd met het aanbod van een baan als beveiliger 2 voor de duur van ten minste zes maanden. Kort voor 22 november 2012 heeft appellant een gesprek gevoerd met [S.] waarin werd aangekondigd dat hem een contract als servicemedewerker zou worden aangeboden, dan wel dat [S.] de baangarantie zou kunnen afkopen met € 3.000,-. Appellant heeft op 22 november 2012 [S.] gerappelleerd en verzocht om het contract en het afkoopvoorstel. Nog dezelfde dag, 22 november 2012, heeft [S.] het contract per e-mail toegezonden. Tevens is in die e-mail het voorstel voor de afkoop neergelegd.

6.3.

Uit het toegezonden contract bleek dat het ging om een arbeidsovereenkomst voor de periode van een half jaar als servicemedewerker op basis van een rooster voor tenminste 32 uur in de week, bij een bruto salaris van € 1.500,- per maand, gebaseerd op een werkweek van 40 uur. Bij de functie was bepaald dat de werkzaamheden en taken zijn omschreven in een functieomschrijving, maar dat deze door de werkgever gewijzigd kon worden. Tevens was opgenomen dat de werknemer ermee instemde ook taken en functies uit te voeren, anders dan de werkzaamheden omschreven in de functieomschrijving. Voor overwerk zou geen vergoeding worden uitbetaald; compensatie zou worden gegeven in de vorm van vier bovenwettelijke vakantiedagen per jaar. Anders dan [S.] aan het Uwv heeft laten weten was in dat contract de CAO voor het beveiligingsbedrijf niet van toepassing verklaard.

6.4.

De onvrede van appellant over het aanbod van [S.] is begrijpelijk in het licht van wat appellant bij de aanvang van de opleiding was voorgespiegeld en gelet op de hiervoor geschetste arbeidsvoorwaarden, in combinatie met de aangeboden afkoopsom om geheel van een arbeidsovereenkomst af te zien. Appellant heeft zijn onvrede over dit aanbod geuit en heeft daarbij tegenover een opdrachtgever en cursisten gesproken over een ‘Dagobert Duck-contract’. Ongetwijfeld is dat niet bedoeld als een gunstige beoordeling, maar waarom dit als ‘uiterst negatief’ moet worden geduid, hebben [S.] noch het Uwv duidelijk gemaakt. Evenmin is duidelijk waarom aldus sprake was van ‘zeer onbehoorlijk gedrag’. Van in de mail van 12 december 2012 gestelde overige omstandigheden waardoor [S.] al twijfels had over appellant is niet gebleken. Die e-mail vermeldt voorts nog dat partijen nog steeds in onderhandeling zijn.

6.5.

Dat het contract voor servicemedewerker een tijdelijke functie betrof, en diende als overbrugging voor de periode dat appellant niet over een beveiligerspas beschikte, blijkt niet uit dat contract en ook niet uit enig ander stuk. Integendeel, vastgesteld is dat [S.] nooit een aanvraag heeft gedaan voor de voor het werk voor beveiliger noodzakelijke verlenging van de beveiligerspas.

6.6.

Er is dan ook geen sprake van dat appellant met zijn uitlating of opstelling als weergegeven in de e-mail van 12 december 2012 enige op hem rustende verplichting op grond van de WW heeft geschonden.

6.7.

Gelet op hetgeen is overwogen in de onderdelen 6.2 tot en met 6.6 behoeft de vraag of de functie van servicemedewerker passende arbeid betrof, geen behandeling.

6.8.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, evenals het bestreden besluit. Aangezien de grondslag om een maatregel op te leggen ontbrak zal het besluit van 25 januari 2013 worden herroepen. Appellant komt met ingang van 21 januari 2013 in aanmerking voor een ongekorte WW-uitkering.

6.9.

Appellant heeft schadevergoeding gevraagd in de vorm van de wettelijke rente over de ten onrechte niet betaalde uitkering. Voor de berekening van die rente wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958).

7. Het Uwv zal worden veroordeeld in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op de kosten van rechtsbijstand in bezwaar van € 980,-, in beroep van € 980,- en in hoger beroep van € 980,-, in totaal derhalve € 2.940,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 juni 2013;

  • -

    herroept het besluit van 25 januari 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaatst treedt van het besluit van 17 juni 2013;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.940,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 166,- aan appellant vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2015.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

UM