Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4269

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2015
Datum publicatie
04-12-2015
Zaaknummer
13/4207 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:4715, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Er zijn geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit. Appellant wordt in staat geacht één van de voor hem in het kader van een WIA-procedure geselecteerde voorbeeldfuncties, bijvoorbeeld inpakker, te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4207 ZW

Datum uitspraak: 23 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2013, 13/266 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn neef [naam neef] en mr. L.E.J. Vleesenbeek, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als spuiter/straler. Hij heeft zich op 12 oktober 2009 ziek gemeld vanwege een zwelling in de hals. Na ommekomst van de wachttijd heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van

10 oktober 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2.

Appellant heeft zich op 7 december 2011 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de WW ziek gemeld, ditmaal met verschillende psychische en lichamelijke klachten. Aan appellant is een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. De verzekeringsarts van het Uwv heeft overwogen dat appellant met ingang van 11 oktober 2012 in staat moet worden geacht één van de twee door de arbeidsdeskundige van het Uwv in zijn rapport van

10 oktober 2012 geselecteerde functies te verrichten. Bij besluit van 10 oktober 2012 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant met ingang van 11 oktober 2012 beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 11 december 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen. Appellant heeft in beroep geen nieuwe medisch objectiveerbare feiten aangevoerd.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. Het oordeel van de Raad.

4.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van het Uwv niet onzorgvuldig is geweest en dat de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv was voldoende op de hoogte van de van belang zijnde informatie uit de behandelend sector, waaronder informatie van de neuroloog, de MDL-arts en de psycholoog en heeft deze informatie bij zijn beoordeling betrokken. Dat de verzekeringsartsen geen lichamelijk onderzoek hebben verricht, maakt niet dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1976) maakt het achterwege laten van een lichamelijk onderzoek niet dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest. Nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte over de informatie van de neuroloog, die appellant op

5 november 2012 lichamelijk heeft onderzocht, was er geen noodzaak zelf een lichamelijk onderzoek ter verrichten. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep met zijn rapport van 27 februari 2013 gereageerd op het beroepschrift van appellant in eerste aanleg. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vermeld dat in de voor appellant geselecteerde voorbeeldfuncties geen sprake is van een voortdurend hoog werktempo en dat in deze functies geen schroefbewegingen met de rechterhand gemaakt hoeven worden. Uit de brief van de neuroloog blijkt dat de rug- en beenklachten het gevolg zijn van een hernia op L4-L5. Appellant heeft tijdens het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet vermeld problemen te ondervinden als gevolg van zijn rugklachten. Bovendien is een beperking gesteld voor tillen en dragen. De desbetreffende verzekeringsgeneeskundige rapporten zijn duidelijk en overtuigend. Zoals het Uwv terecht heeft opgemerkt in de brief van 25 augustus 2015, ziet het in hoger beroep door appellant ingediend rapport van psychologen S.C. Los en A.P.T. Wintels van 5 juli 2007 niet op de datum in geding. Het rapport bevat geen aanleiding voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsartsen. Er zijn geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit. Hetgeen appellant ter zitting heeft gezegd, geeft geen reden voor een ander oordeel.

4.2.

De rechtbank heeft ten onrechte vermeld dat voor appellant zijn arbeid als bedoeld in artikel 19 van de ZW is de laatstelijk voor de aanvang van de werkloosheid feitelijk verrichte arbeid in dienst van een soortgelijke werkgever. Het Uwv heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant in staat wordt geacht één van de voor hem in het kader van een WIA-procedure geselecteerde voorbeeldfuncties, bijvoorbeeld inpakker, te verrichten. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellant hiertoe in staat wordt geacht.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het, gelet op wat in 4.2 is overwogen, met verbetering van gronden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) D. van Wijk

JL