Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4239

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-10-2015
Datum publicatie
03-12-2015
Zaaknummer
13/6480 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Herhaling gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6480 WIA

Datum uitspraak: 19 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

24 oktober 2013, 12/2897 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.V. Huisman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 26 juni 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is ontstaan omdat hij per 6 juli 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 30 oktober 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft als haar oordeel gegeven dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij appellant vastgestelde beperkingen voor het verrichten van arbeid zoals die zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 augustus 2012. De rechtbank acht de door die arts getrokken conclusies voldoende inzichtelijk en ziet geen aanleiding voor het oordeel dat hij de beperkingen van appellant heeft onderschat. Voorts volgt de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep - gelet op de door hem gegeven motivering - in zijn conclusie dat er voor appellant geen urenbeperking geldt. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit ook op een deugdelijke arbeidskundige grondslag berust. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de signaleringen bij de geselecteerde voorbeeldfuncties voldoende gemotiveerd waarom die functies voor appellant geschikt zijn.

3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat zijn beperkingen door de verzekeringsarts zijn onderschat en dat de voorgehouden functies gelet op zijn beperkingen niet door hem kunnen worden vervuld.

4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1.

De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn een herhaling van hetgeen namens appellant in bezwaar en beroep is aangevoerd. De rechtbank heeft het beroep terecht en op juiste gronden ongegrond verklaard.

5.2.

Voor zover de aangevoerde gronden betrekking hebben op de medische kant van de schatting onderschrijft de Raad hetgeen de rechtbank daaromtrent overweegt onder 7 tot en met 11 van de aangevallen uitspraak. Er is geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij appellant vastgestelde beperkingen, zoals weergegeven in de FML van 30 augustus 2012. De rechtbank acht de door die arts - na eigen onderzoek en bestudering van de gedingstukken, waaronder informatie van de behandelend sector - getrokken conclusies terecht voldoende inzichtelijk. Wat betreft de door appellant geclaimde urenbeperking heeft die verzekeringsarts in zijn rapport van 17 juli 2013 geconcludeerd dat gelet op de toepasselijke standaard er geen reden is een dergelijke beperking aan te nemen. Appellant heeft immers geen aandoening die leidt tot een verminderd basaal energetisch vermogen, er is geen sprake van verminderde beschikbaarheid als gevolg van therapie en ook niet van een preventieve indicatie omdat volledig werken zou leiden tot schade van de gezondheid. Er is daarom ook op dit punt geen aanleiding voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen van appellant heeft onderschat.

5.3.

In hoger beroep heeft appellant nog een tweetal brieven overgelegd van respectievelijk zijn huisarts en de behandelend cardioloog. Zoals het Uwv in een reactie op die brieven terecht opmerkt was de in die brieven vervatte informatie ook bekend bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Die verzekeringsarts heeft die informatie daarom bij zijn oordeelsvorming betrokken, maar ze gaf hem geen reden verdergaande beperkingen aan te nemen dan vermeld in de FML. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:308, behoort het tot de specifieke taak en deskundigheid van een verzekeringsarts om medische gegevens te wegen en te vertalen in medische beperkingen voor het verrichten van arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 30 augustus 2012, 23 januari en 17 juli 2013 ook inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat de informatie van de behandelend sector geen aanleiding geeft tot meer of andere beperkingen dan die in de FML van 30 augustus 2012 zijn opgenomen.

5.4.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd.

5.5.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 30 augustus 2012 is de rechtbank terecht van oordeel dat de belasting in de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep blijkens zijn rapport van 18 juni 2013 aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties de belastbaarheid van appellant niet overschrijden en daarom ook medisch geschikt voor hem zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft daarbij in zijn rapport van 10 oktober 2012, aangevuld bij rapport van 15 juli 2015, voldoende gemotiveerd waarom, alhoewel er bij de functies signaleringen zijn gegeven, appellant die functies - gezien de bij hem bestaande beperkingen - moet kunnen vervullen. De rechtbank kan daarom worden gevolgd in haar oordeel dat het bestreden besluit ook wat betreft dit arbeidskundige aspect op een deugdelijke grondslag berust.

6. Uit hetgeen onder 5.2 tot en met 5.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.H. Banda, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2015.

(getekend) P.H. Banda

(getekend) M. Crum

TM