Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4233

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2015
Datum publicatie
03-12-2015
Zaaknummer
14/6635 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht groot gewicht heeft gehecht aan het feit dat appellant als opsporingsambtenaar heimelijke filmopnamen van zijn kamergenoot heeft gemaakt en daarmee zijn privacy heeft geschonden. Appellant had als waarnemend senior opsporingsambtenaar een voorbeeldfunctie. Hij heeft gehandeld in strijd met de eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid en heeft daardoor het in hem te stellen vertrouwen in ernstige mate geschonden. Dat appellant altijd goed heeft gefunctioneerd maakt dit niet anders. De persoonlijke en financiële gevolgen van een strafontslag zijn in het algemeen verstrekkend en vormen in de gegeven situatie geen reden om het strafontslag onevenredig te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/415

Uitspraak

14/6635 MAW

Datum uitspraak: 26 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

30 oktober 2014, 14/5104 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.J.L.M. Dacier hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dacier. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.M. van der Weijden en mr. H.M. Both.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was met ingang van 3 juli 2000 aangesteld bij het beroepspersoneel bepaalde tijd van de Koninklijke Marechaussee. Hij had een FPS fase 3 aanstelling en was formeel geplaatst in de functie van opsporingsambtenaar met de rang van [naam rang 1] bij de [naam brigade] . Laatstelijk nam appellant de functie van senior opsporingsambtenaar in de rang van [naam rang 2] bij voornoemde brigade waar.

1.2.

Bij besluit van 13 september 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 juni 2014 (bestreden besluit), is aan appellant wegens wangedrag ontslag verleend als militair per

1 oktober 2013, op grond van artikel 39, tweede lid onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). De minister heeft vastgesteld dat appellant met een verdekt opgestelde camera op zijn legeringskamer compromitterende opnamen heeft gemaakt van zijn kamergenoot. Dit gedrag is aangemerkt als toerekenbaar wangedrag. Het ontslag is volgens de minister evenredig aan het wangedrag omdat het vertrouwen in appellant, als algemeen opsporingsambtenaar , ernstig en onherstelbaar is geschaad.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het filmen niet kan worden aangemerkt als onrechtmatig. Appellant had het sterke vermoeden dat de kamergenoot op de hoogte was van de camera. Daarnaast verdacht appellant zijn kamergenoot van diefstal, te weten het zonder zijn toestemming gebruikmaken van zijn deodorant. Verder heeft appellant aangevoerd dat het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur zijn geschonden. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat het strafontslag niet evenredig is aan hetgeen hem wordt verweten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant betwist niet dat hij met een camera verstopt in de coffeepad-houder opnamen heeft gemaakt van zijn kamergenoot, zonder hem daarover vooraf in te lichten. De Raad volgt appellant niet in zijn betoog dat dit niet onrechtmatig is. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn kamergenoot wist dat hij gefilmd werd, maar zelfs al zou dit het geval zijn geweest, dan nog geldt dat appellant niet openlijk heeft gehandeld. Door het maken van compromitterende opnamen met een verdekt opgestelde camera heeft hij de privacy van zijn kamergenoot geschonden. Dat appellant zijn kamergenoot ervan verdacht gebruik te maken van zijn deodorant maakt dit niet anders, te minder omdat van hem verwacht mag worden dat hij daar op een geautoriseerde en rechtmatige manier op reageert.

4.2.

De Raad volgt appellant evenmin in zijn betoog dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Dat tegen de kamergenoot van appellant geen disciplinaire maatregelen zijn genomen vanwege het zonder toestemming gebruiken van appellants deodorant terwijl andere collega’s zijn ontslagen wegens diefstal van snoep, kan appellant niet baten. De aard van de appellant verweten gedraging en die van de gedraging van zijn kamergenoot zijn volledig verschillend. Van schending van het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur is geen sprake. Het stond de minister vrij om jegens appellant disciplinaire maatregelen te treffen wegens het heimelijk filmen.

4.3.

Anders dan appellant heeft betoogd is de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan de ernst van het gepleegde wangedrag. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht groot gewicht heeft gehecht aan het feit dat appellant als opsporingsambtenaar heimelijke filmopnamen van zijn kamergenoot heeft gemaakt en daarmee zijn privacy heeft geschonden. Appellant had als waarnemend senior opsporingsambtenaar een voorbeeldfunctie. Hij heeft gehandeld in strijd met de eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid en heeft daardoor het in hem te stellen vertrouwen in ernstige mate geschonden. Dat appellant altijd goed heeft gefunctioneerd maakt dit niet anders. De persoonlijke en financiële gevolgen van een strafontslag zijn in het algemeen verstrekkend en vormen in de gegeven situatie geen reden om het strafontslag onevenredig te achten.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en B.J. van de Griend en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2015.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD