Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:423

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
23-02-2015
Zaaknummer
13-6587 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening bijstand. Geldtransacties: Uit de geldtransacties die volgens de bankafschriften in de periode van 1 april 2011 tot en met 30 november 2011 hebben plaatsgevonden blijkt niet of de betreffende stortingen afkomstig zijn van de bijstand en de toeslagen van appellant, van de geldelijke bijdragen van de zonen van R, dan wel uit de verkoop van de door appellant genoemde goederen. Bovendien stemmen de opgenomen bedragen niet overeen met de door appellant teruggestorte bedragen, zodat de stelling van appellant dat de hij op verifieerbare wijze de herkomst van de stortingen aannemelijk heeft gemaakt, geen stand houdt. Terugvordering: geen bijzonder geval, geen onaanvaardbare financiële situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6587 WWB, 14/84 WWB

Datum uitspraak: 17 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 november 2013, 12/2096 (aangevallen uitspraak I) en tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 11 december 2013, nr. 13/405 (aangevallen uitspraak II)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.E.I.K. Jaminon, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 13/6830 ten name van

[R.] (R), plaatsgevonden op 16 december 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E. Meuwissen, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.A. Bertholet. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant heeft bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen naar de norm voor een alleenstaande, met ingang van 31 maart 2011 naar de norm voor een alleenstaande met een niet-rechthebbende partner. Met ingang van 3 januari 2012 heeft appellant samen met zijn toenmalige echtgenote R bijstand ontvangen naar de norm voor gehuwden. Uit een onderzoek is onder meer gebleken dat in de periode van april 2011 tot en met november 2011 maandelijks kasstortingen hebben plaatsgevonden op de gezamenlijke bankrekening van appellant en R tot een totaalbedrag van € 4.230,-.

1.3. Bij besluit van 6 augustus 2012 heeft het college de bijstand over de periode van 1 april 2011 tot en met 30 november 2011 herzien en een maatregel opgelegd, bestaande uit een verlaging van 10% van de bijstandsnorm over de periode van 1 september 2012 tot

1 maart 2013.

1.4. Bij besluit van 26 september 2012 heeft het college de in voornoemde periode gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van € 6.116,59 van appellant teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 22 oktober 2012 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 augustus 2012 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de kasstortingen als inkomsten moeten worden aangemerkt en op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. Nu appellant van die inkomsten niet tijdig mededeling heeft gedaan op de inkomstenformulieren, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg hiervan heeft appellant een te hoog bedrag aan bijstand ontvangen, aldus het college.

1.6. Bij besluit van 21 december 2012 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 september 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank het mede door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit I ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Bij de aangevallen uitspraak II heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Inzake 13/6587

4.1. De Raad stelt voorop dat het college het bestreden besluit I niet heeft gehandhaafd, voor zover appellant daarbij een maatregel is opgelegd, zodat met betrekking tot bestreden besluit I thans alleen de herziening van de bijstand nog aan de orde is.

4.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak I geoordeeld dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de aard en herkomst van de onder 1.2 genoemde kasstortingen en dat het college deze stortingen, gelet op het periodieke karakter en de hoogte hiervan, terecht heeft aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB over de maanden waarin de stortingen hebben plaatsgevonden.

4.3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Appellant neemt regelmatig een deel van zijn uitkering en de ontvangen toeslagen op van zijn rekening, omdat hij het geld liever thuis bewaart dan op een bankrekening. Appellant heeft namelijk geen vertrouwen in banken. Maar zodra hij geld nodig heeft om betalingen te verrichten, wordt een deel van het opgenomen geld weer teruggestort op zijn bankrekening. Een ander deel van de kasstortingen wordt gevormd door de bijdragen van de zonen van R en de opbrengsten uit de verkoop van goud, een snorbrommer en een mountainbike. De beschikbare bankafschriften bieden voldoende verifieerbaar bewijs voor zijn stelling dat de stortingen zijn te herleiden tot de opnames. Appellant zag die stortingen niet als inkomsten, omdat hij de betreffende gelden weer terugboekte op de rekening. Daarom ging hij ervan uit dat hij die stortingen niet op de inkomstenformulieren behoefde te vermelden. Appellant is dan ook van mening dat van schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is.

4.4. Deze gronden slagen niet. Uit de geldtransacties die volgens de bankafschriften in de periode van 1 april 2011 tot en met 30 november 2011 hebben plaatsgevonden blijkt niet of de betreffende stortingen afkomstig zijn van de bijstand en de toeslagen van appellant, van de geldelijke bijdragen van de zonen van R, dan wel uit de verkoop van de door appellant genoemde goederen. Bovendien stemmen de opgenomen bedragen niet overeen met de door appellant teruggestorte bedragen, zodat de stelling van appellant dat de hij op verifieerbare wijze de herkomst van de stortingen aannemelijk heeft gemaakt, geen stand houdt.

4.5. Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt voor zover het de herziening betreft. Nu het college de in het bestreden besluit I vervatte maatregel niet heeft gehandhaafd, slaagt het hoger beroep met betrekking tot de maatregel wel. Dit betekent dat over de periode waarop de ingetrokken maatregel betrekking heeft, namelijk van 1 september 2012 tot 1 maart 2013, nog een nabetaling van het college aan appellant dient plaats te vinden.

Inzake 14/84

4.6. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak II ten aanzien van appellant geoordeeld dat de terugvordering van de over de periode van 1 april 2011 tot en met 30 november 2011 ten onrechte verstrekte bijstand tot een bedrag van € 6.116,59 bruto in rechte stand kan houden.

4.7. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Als gevolg van de veelvuldige langdurige procedures die appellant tegen de gemeente Heerlen heeft gevoerd, hebben zich bij appellant hartklachten ontwikkeld. Die klachten zijn na het onderhavige besluit tot terugvordering verergerd. Gelet op die klachten en de gevorderde leeftijd van appellant is sprake van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Daar komt bij dat appellant al zoveel schulden heeft dat al een maximaal bedrag op zijn uitkering wordt ingehouden. Voor appellant dreigt dan ook een uitzichtloze situatie te ontstaan.

4.8. Het college voert het beleid dat ten onrechte verleende bijstand in beginsel wordt teruggevorderd, behoudens wanneer sprake is van dringende redenen. Voor de uitleg van dringende redenen heeft het college aansluiting gezocht bij de vaste rechtspraak van de Raad. Deze vaste rechtspraak (CRvB 29 maart 2005, LJN AT2869) houdt in dat dringende redenen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.

4.9. In het geval van appellant is hiervan geen sprake. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn kennelijk reeds bestaande hartklachten zijn toegenomen als gevolg van het besluit tot terugvordering van 26 september 2012 én dat die toename heeft geleid tot een onaanvaardbaar sociaal gevolg als vorenbedoeld. De door appellant ingebrachte verklaring van 5 november 2012 van zijn huisarts biedt daarvoor geen toereikende grondslag.

Financiële problemen vormen in het algemeen geen dringende redenen als vorenbedoeld. Appellant heeft in verband met zijn aanzienlijke schulden reeds de bescherming van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Volgens zijn verklaring is hij, met inachtneming van de beslagvrije voet, in elk geval in staat in de meest noodzakelijke levensbehoeften te voorzien. Daar doet niet aan af dat appellant niet in staat is zijn schulden aan het college af te lossen. Appellant kan te zijner tijd aan het college verzoeken om kwijtschelding van die schulden. Van een onaanvaardbare financiële situatie als vorenbedoeld is dus ook geen sprake.

4.10. Gelet op 4.8 en 4.9 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak II moet worden bevestigd.

Proceskosten

4.11. De Raad ziet aanleiding om in de zaak 13/6587 het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot als volgt: in eerste aanleg twee punten (€ 980,- : 2 =) € 490,- wegens gezamenlijk beroep (met R) en in hoger beroep twee punten = € 980,-, totaal € 1.470,-.

Kosten in bezwaar

4.12. Appellant heeft tijdig verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Nu bij deze uitspraak het besluit van 6 augustus 2012 ten dele wordt herroepen wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid, zal het college op grond van artikel 8:75 in verbinding met artikel 7:15 van de Awb, worden veroordeeld in de kosten

van appellant in bezwaar. De Raad ziet in verband met het gezamenlijk (met R) ingediende bezwaar aanleiding het college te veroordelen in de helft van de kosten van appellant in bezwaar, begroot op (€ 980,- : 2 =) € 490,-.

Wettelijke rente

4.13. Artikel 6:119, eerste lid, van het BW bepaalt dat schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest. Nu ten aanzien van appellant sprake is van een ten dele onrechtmatig besluit, is er plaats voor vergoeding van wettelijke rente. Appellant komt, bezien in samenhang met de gevoegde behandelde zaak 13/6830, in aanmerking voor de helft van het totale bedrag van de wettelijke rente. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

BESLISSING

Inzake 13/6587

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt aangevallen uitspraak I, voor zover deze betrekking heeft op de opgelegde

maatregel;

- verklaart het beroep in zoverre gegrond;

- vernietigt het besluit van 22 oktober 2012 zover dit betrekking heeft op de opgelegde

maatregel;

- herroept het besluit van 6 augustus 2012 in zoverre;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.960,-;

.- bepaalt dat het college aan appellant een vergoeding van wettelijke rente toekent op de in

deze uitspraak aangegeven wijze;

- bepaalt dat het college aan appellant de helft van het in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht vergoedt, in totaal € 139,-.

Inzake 14/84

De Centrale Raad van beroep bevestigt aangevallen uitspraak II.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en J.F. Bandringa en C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD