Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4229

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
03-12-2015
Zaaknummer
14/4513 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen vergoeding kosten in bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4513 WAO

Datum uitspraak: 27 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 juli 2014, 13/5576 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M. Tason Avila, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2015.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tason Avila. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 1 januari 2010 beëindigd omdat appellant niet tijdig de balans en winst- en verliesrekening over 2010 en een kopie van de aangifte inkomstenbelasting over 2010 heeft ingediend.

1.2.

Appellant heeft op 6 juni 2013 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 mei 2013. Als bijlage bij het bezwaarschrift is de jaarrekening over 2010 gevoegd. Op 12 juli 2013 heeft appellant de aangifte inkomstenbelasting over 2010 aan het Uwv verstrekt. Vervolgens heeft het Uwv, op basis van deze gegevens, bij besluit van 22 juli 2013 de WAO-uitkering van appellant per 1 januari 2010 heropend.

1.3.

Bij besluit van 20 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 mei 2013 ongegrond verklaard. Omdat het bezwaar ongegrond is verklaard, vergoedt het Uwv de kosten van het bezwaar niet.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat, overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij binnen de door het Uwv gestelde termijn, die eindigde op

9 mei 2013, de gevraagde stukken heeft ingeleverd. De stelling van appellant dat hij als gevolg van twee geweldsdelicten in 2011 niet in staat was de gegevens tijdig te overleggen, treft geen doel naar het oordeel van de rechtbank omdat appellant deze stelling niet met medische of justitiële gegevens heeft onderbouwd. Nu het aan appellant te wijten is dat het Uwv niet binnen de gestelde termijn kennis heeft kunnen nemen van de stukken, heeft het Uwv het bezwaar terecht ongegrond verklaard en geen vergoeding toegekend voor de kosten in bezwaar.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij de gevraagde stukken tijdig heeft ingeleverd. Hij stelt zich op het standpunt dat er verwarring is ontstaan bij het Uwv omtrent de aard van de stukken. Door deze verwarring heeft appellant een advocaat moeten inschakelen om de stukken te verduidelijken. Het is daarom aan het Uwv te wijten dat zij een onrechtmatig besluit heeft moeten herroepen. Voorzover de Raad van oordeel is dat de stukken te laat zijn ingeleverd, stelt appellant zich op het standpunt dat dit het gevolg is van de geweldsdelicten in 2011. Het Uwv was hiervan op de hoogte.

3.2.

Het Uwv stelt dat het besluit van 16 mei 2013 op goede gronden is genomen en dat appellant pas in bezwaar aan zijn informatieverplichting heeft voldaan. Er is daarom geen sprake van herroepen van een bestreden besluit in de zin van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht. Mocht de Raad van oordeel zijn dat er sprake is van het herroepen van het besluit van 16 mei 2013, dan is dit niet het gevolg van aan het Uwv te wijten onrechtmatigheid van dat besluit.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

In geschil is de vraag of het Uwv terecht het besluit van 16 mei 2013 niet heeft herroepen en derhalve de kosten van appellant in verband met het bezwaar tegen dat besluit niet heeft vergoed.

4.2.

Het Uwv heeft appellant op 25 januari 2013, 14 maart 2013 en 11 april 2013 een termijn gegeven voor het indienen van de balans en winst- en verliesrekening over 2010 en een kopie van de aangifte inkomstenbelasting over 2010. De laatst gestelde termijn eindigde op

9 mei 2013.

4.3.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de gevraagde stukken tijdig heeft ingediend. Ter zitting heeft appellant in dat verband gewezen op de brief van de accountant van 29 mei 2013, waarin deze stelt dat de balansen resultatenrekening 2010 aan de belastingdienst zijn gezonden. Van de kant van appellant is betoogd dat de accountant in deze brief heeft bedoeld te zeggen dat de stukken aan het Uwv zijn gezonden. Nu uit de gedingstukken naar voren komt dat het Uwv eerst op 7 juni 2013 de jaarrekening over 2010, en op 12 juli 2013 en de aangifte inkomstenbelasting over 2010 heeft ontvangen en de brief van de accountant van 29 mei 2013 geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat de gevraagde gegevens tijdig aan het Uwv zijn verstrekt, kan deze beroepsgrond niet slagen. Gelet op de aard van de door het Uwv opgevraagde gegevens acht de Raad het niet aannemelijk dat hierover bij het Uwv verwarring is ontstaan, zoals door appellant is gesteld.

4.4.

De subsidiaire stelling van appellant dat het niet tijdig inleveren van de gegevens hem niet te verwijten valt omdat hij als gevolg van de geweldsdelicten in 2011 wat later was met het indienen van de stukken, treft geen doel. Appellant heeft weliswaar in een brief van

13 januari 2013 bij het Uwv gemeld dat er vertraging is opgetreden omdat hij in juli en september 2011 slachtoffer is geweest van geweldsmisdrijven, maar uitsluitend op grond van deze brief kan niet worden geconcludeerd dat appellant als gevolg hiervan buiten staat was om de gevraagde stukken voor 9 mei 2013 in te leveren.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het Uwv het besluit van 16 mei 2013 terecht niet heeft herroepen. Het Uwv heeft dan ook gelet op het bepaalde in artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin van de Awb terecht het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2015.

(getekend) H. van Leeuwen

(getekend) J.R. van Ravenstein

AP