Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4226

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
03-12-2015
Zaaknummer
14/3388 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering, herziening en terugvordering kinderbijslag. Herhaling gronden in hoger beroep. e Raad kan zich geheel vinden in hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hij stelt hierbij voorop dat nu het hier een beoordeling van de aanspraak op kinderbijslag betreft, primair op appellant de bewijslast rust dat is voldaan aan de voorwaarden daartoe. Appellant is daarin niet geslaagd. Hij heeft verklaringen afgelegd die evident onjuist zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/3388 AKW

Datum uitspraak: 27 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 mei 2014, 13/5742 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J. Coxon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2015. Voor appellant is

mr. Coxon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft kinderbijslag ontvangen voor zijn vier in Marokko verblijvende kinderen. Daarbij is ervan uitgegaan dat appellants kinderen woonden bij de moeder van zijn echtgenote, aan wie appellant de onderhoudsbijdrage overmaakte.

2. In 2006, 2007 en 2009 heeft onderzoek plaatsgevonden in Marokko. Dit heeft de Svb aanleiding gegeven appellant kinderbijslag met ingang van het vierde kwartaal van 2005 te weigeren en de tot en met het derde kwartaal van 2009 uitbetaalde kinderbijslag van hem terug te vorderen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de kinderen bij hun moeder verbleven en dat de betalingen aan de grootouders van de kinderen niet als bijdrage in het onderhoud van de kinderen konden worden aangemerkt, zodat appellant niet aan de onderhoudseis had voldaan. De Svb heeft deze besluiten na bezwaar herroepen op de grond dat hem reeds vanaf eind 2006 bekend was dat de echtgenote van appellant sinds eind 2005 in Marokko werkzaam was en dat verzuimd is na te gaan of zij als verzorgster van de kinderen moest worden aangemerkt. Een herziening met terugwerkende kracht wordt daarom als kennelijk onredelijk aangemerkt.

1.3.

Op 30 mei 2011 heeft de Svb appellant bericht dat nog onderzoek wordt gedaan naar zijn recht op kinderbijslag en dat vanaf het vierde kwartaal van 2010 een voorschot wordt uitbetaald. In 2011 heeft opnieuw onderzoek in Marokko plaatsgevonden.

1.4.

Bij besluit van 8 oktober 2012 heeft de Svb appellant vanaf het vierde kwartaal van 2010 kinderbijslag geweigerd. Daarna ligt ten grondslag dat uit onderzoek is gebleken dat de kinderen bij hun moeder wonen en dat het geld dat appellant heeft overgemaakt aan de grootouders van de kinderen niet als onderhoudsbijdrage kan worden aangemerkt. Bij besluit van eveneens 8 oktober 2012 heeft de Svb hetgeen ten onrechte is betaald, ten bedrage van € 4.844,77 van appellant teruggevorderd.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 26 september 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb aan appellant alsnog kinderbijslag toegekend over het derde kwartaal van 2011 en het derde kwartaal van 2012, in welke kwartalen appellant geacht wordt in het onderhoud van de kinderen te hebben voorzien nu zij zes tot acht weken bij hem in Nederland hebben verbleven. In verband hiermee is het teruggevorderde bedrag teruggebracht naar € 3.855,91. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat er geen reden is te twijfelen aan de resultaten van het op verzoek van de Svb door de sociaal attaché in Marokko verrichte onderzoeken. Volgens de diverse rapporten van die onderzoeken heeft de moquaddem verklaard dat de kinderen van appellant overdag bij hun grootmoeder verblijven en ’s avonds met hun moeder naar huis gaan. Uit de in het rapport van 2011 neergelegde verklaring van de moquaddem blijkt dat deze zich bewust was van het doel van het onderzoek en in welke context hij zijn verklaring aflegde. Dat uit het rapport niet blijkt in welke taal de moquaddem zijn verklaring heeft afgelegd en of er een beëdigde tolk/vertaler aanwezig was, acht de rechtbank niet van belang. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring. Zij signaleert daarbij dat de moquaddem in 2009 een soortgelijke verklaring heeft afgelegd. De door appellant overgelegde schriftelijke verklaring van de moquaddem doet hieraan niet af, nu daaruit niet blijkt op welk adres het merendeel van de voor de nachtrust bestemde tijd wordt doorgebracht, terwijl dit aspect bepalend is voor de vraag tot welk huishouden een kind behoort.

3.1.

Namens appellant is in hoger beroep in essentie herhaald wat in eerste aanleg naar voren was gebracht. Aangevoerd is dat er reden is te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van de moquaddem, nu niet bekend is in welke taal met deze functionaris is gesproken en of dit is geschied in de aanwezigheid van een beëdigde tolk. Bovendien heeft de moquaddem zijn verklaring niet ondertekend. Verwezen is naar de uitspraken van de Raad van 24 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8502, en van 16 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2389.

3.2.

De Svb heeft bij het verweerschrift in hoger beroep een nader schrijven van de sociaal attaché overgelegd. Daarin is een verklaring van de moquaddem opgenomen, volgens welke de kinderen overdag bij hun grootmoeder waren en ’s avonds met hun moeder meegingen en aldaar sliepen. De rapporteur heeft vermeld dat hij in het Marokkaans met de moquaddem heeft gesproken.

4.1.

De Raad kan zich geheel vinden in hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hij stelt hierbij voorop dat nu het hier een beoordeling van de aanspraak op kinderbijslag betreft, primair op appellant de bewijslast rust dat is voldaan aan de voorwaarden daartoe. Appellant is daarin niet geslaagd. Hij heeft verklaringen afgelegd die evident onjuist zijn. Zo heeft hij steeds volgehouden dat zijn echtgenote in Nederland woont en slechts zelden in Marokko verblijft. Bij een bezoek aan het kantoor van de Svb in oktober 2012 heeft hij verklaard dat zijn echtgenote nooit lange tijd in Marokko is en daar slechts korte periodes als invalleerkracht werkzaam is. Uit de verklaringen van ambtenaren in Marokko blijkt echter dat appellants echtgenote sinds september 2004 fulltime werkzaam is als leerkracht en dat het verschijnsel invalleerkracht in Marokko onbekend is. Tegenover deze onjuiste verklaringen van appellant staan de consequente verklaringen van de moquaddem dat de kinderen van appellant bij hun moeder wonen en alleen overdag bij hun grootmoeder zijn. Met de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding aan de juistheid van deze verklaringen van de moquaddem te twijfelen. De overwegingen van de rechtbank daaromtrent worden onderschreven. Appellant heeft hier niets anders tegenover gesteld dan de verklaring van de grootmoeder van de kinderen. Ook bij de juistheid van haar verklaring kunnen - gezien de bevindingen van het onderzoek door de attaché - vraagtekens worden geplaatst.

4.2.

De verwijzing door de gemachtigde van appellant naar de uitspraken van de Raad van

23 april 2013 en van 16 juli 2014 leiden niet tot een ander oordeel. In die uitspraken was een herziening van een uitkering met terugwerkende kracht aan de orde. Bij een dergelijk belastend besluit rust de bewijslast primair op het bestuursorgaan.

4.3.

Het onder 4.1 en 4.2 overwogene leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en

E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2015.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) R.L. Rijnen

RB