Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4208

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
14/5080 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een bijstandsuitkering toe te kennen. Niet verschijnen afspraak na miscommunicatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5080 WWB

Datum uitspraak: 24 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

29 juli 2014, 14/1519 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. van Heijningen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft op 18 november 2013 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. In verband met deze aanvraag heeft de afdeling Controle van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de door appellant verstrekte gegevens over zijn woonadres, woonsituatie en middelen. Naar aanleiding daarvan heeft een handhavingsspecialist van DWI appellant bij brief van 3 december 2013 opgeroepen te verschijnen op het kantoor van DWI op 4 december 2013 om 10.00 uur. In de brief is appellant tevens verzocht de in de brief opgesomde gegevens mee te nemen, waaronder bankafschriften of internetuitdraaien van de laatste drie maanden van alle rekeningen waarover appellant beschikt. Appellant heeft zich op 4 december 2013 gemeld bij de receptie van DWI en enkele stukken afgegeven. Het balie-contact heeft niet geleid tot een gesprek met de betreffende handhavingsspecialist. Bij brief van 4 december 2013 is appellant opnieuw opgeroepen en verzocht te verschijnen op 6 december om 12.30 uur. Appellant is niet op die afspraak verschenen.

1.2.

Bij besluit van 6 december 2013 heeft het college de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet is verschenen op de afspraken van 4 december 2013 en 6 december 2013.

1.3.

Bij besluit van 7 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 december 2013 ongegrond verklaard onder wijziging van de grondslag, in die zin dat de aanvraag wordt afgewezen op de grond dat appellant niet heeft meegewerkt aan een onderzoek om het recht op bijstand vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2.

Vaststaat dat appellant tot tweemaal toe niet is verschenen op een afspraak met de onder 1.1 genoemde handhavingsspecialist. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant hiermee niet heeft voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting. Ook al zou appellant gevolgd worden in het door hem ingenomen standpunt dat de afspraak van

4 december 2013 mede door een miscommunicatie tussen hem en de balie-medewerkster niet tot stand is gekomen, dan nog valt niet in te zien dat het niet verschijnen op de afspraak op

6 december 2013 hem niet te verwijten valt, zoals appellant aanvoert. In de onder 1.1 genoemde brief van 4 december 2013 staat uitdrukkelijk vermeld dat hij niet is verschenen op het gesprek van 4 december 2013 en dat hij hiertoe alsnog wordt verwacht op 6 december 2013. Appellant had uit deze brief kunnen en moeten begrijpen dat hij de afspraak op

6 december 2013 moest nakomen. Mocht hij hierover al enige twijfel hebben gehad, dan had het op zijn weg gelegen hierover bij de in de brief genoemde contactpersoon navraag te doen.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2015.

(getekend) P.W. van Straalen

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD