Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4197

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-11-2015
Datum publicatie
29-11-2015
Zaaknummer
14/731 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WW-uitkering. Oplegging boete. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2016/88

Uitspraak

14/731 WW, 14/1070 WW, 15/6199 WW

Datum uitspraak: 9 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 december 2013, 13/1291 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2015. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordiger door A.H.G. Boelen.

Nadat het onderzoek ter zitting was geschorst, heeft het Uwv op 30 juli 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft daarop gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 30 maart 2010 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een verlies van gemiddeld 39,77 arbeidsuren per week. Naar aanleiding van een anonieme melding over zwart werken bij een café in [woonplaats] heeft een inspecteur van het Uwv waarnemingen bij dat café verricht en appellant gehoord. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het Uwv bij besluit van

9 november 2012 de WW-uitkering van appellant vanaf 8 augustus 2011 ingetrokken en de volgens het Uwv over de periode van 8 augustus 2011 tot en met 29 juli 2012 onverschuldigd betaalde uitkering tot een bedrag van € 16.484,50 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 23 november 2012 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 1.650,-. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.

1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 11 maart 2013 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 9 en 23 november 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven, met bepalingen over proceskosten en griffierecht. Het Uwv heeft zich volgens de rechtbank ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellant door het verrichten van arbeid niet beschikbaar was voor arbeid. Appellant heeft zijn hoedanigheid als werknemer verloren over de uren waarin hij werkzaamheden voor zijn zus heeft verricht. Door het niet melden van deze werkzaamheden is appellant zijn mededelingsplicht neergelegd in artikel 25 van de WW niet nagekomen. Bij gebrek aan voldoende concrete gegevens over de omvang van de werkzaamheden en het gebrek aan een schatting van de omvang, kan het recht op uitkering niet worden vastgesteld vanaf augustus 2011. Volgens de rechtbank heeft het Uwv appellant terecht een boete opgelegd van € 1.650,-.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, gesteld dat het voor hem niet redelijkerwijs duidelijk kan of moet zijn dat het helpen van zijn zus van invloed zou kunnen zijn op het recht op uitkering, dat hij altijd beschikbaar was voor arbeid en dat hij in de maanden oktober, november en december 2011 en in januari en februari 2012 geen werkzaamheden heeft verricht.

3.2.

In het incidenteel hoger beroep heeft het Uwv de vernietiging van bestreden besluit 1 bestreden en de Raad verzocht het beroep daartegen alsnog ongegrond te verklaren. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van de Raad op 27 mei 2015 heeft het Uwv bij besluit van 30 juli 2015 (bestreden besluit 2) zijn standpunt als volgt gewijzigd:

“Uit de door u gegeven verklaringen blijkt dat u werkzaamheden heeft verricht, maar dat u niet voortdurend werkzaam was, maar enkele dagen per week. U heeft voorts te kennen gegeven dat u in de periode van november en december 2011 en januari en februari 2012 niet werkzaam bent geweest.

Op grond van de door u afgelegde verklaringen gaan wij uit van het feit dat u in de periode van 11 augustus 2011 tot en met 31 oktober 2011 en van 1 maart 2012 tot en met 27 juli 2012 gedurende 2 dagen per week werkzaamheden heeft verricht alsmede dat u in de periode van 1 november 2011 tot 1 maart 2012 geen werkzaamleden heeft verricht.

U heeft niet aan ons heeft doorgegeven dat u werkzaamheden bent gaan verrichten.

Wij overwegen op grond van het bovenstaande het volgende.

U heeft in de hierboven genoemde periode werkzaamheden verricht. Deze werkzaamheden worden beschouwd als arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgen de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht. Dat betekent dat u over de uren dat u deze werkzaamheden heeft verricht, de hoedanigheid als werknemer heeft verloren en dat u daarom over deze uren geen recht heeft op WW-uitkering. De aan u toegekende WW-uitkering was gebaseerd op 39,77 uren per week. Dit is derhalve verdeeld over 5 dagen. U verliest de hoedanigheid van werknemer gedurende 2 dagen per week.

Wij herzien daarom de WW-uitkering over de periode van 8 augustus 2011 tot

1 november 2011 alsmede over de periode van 1 maart 2012 tot en met 27 juli 2012 in die zin dat u over die periode recht heeft op WW uitkering gedurende 3 dagen per week.

Dat betekent dat u over de periode van 8 augustus 2011 tot 1 november 2011 en van

1 maart 2012 tot en met 29 juli 2012 teveel aan WW-uitkering heeft ontvangen.

Het teveel ontvangen bedrag aan WW-uitkering vorderen wij van u terug. Het teveel ontvangen bedrag hebben wij vastgesteld op een bedrag van € 4464,12 bruto. Voor een specificatie van dit bedrag verwijzen wij u naar de specificatie, die wij u als bijlage bij deze beslissing toesturen. Van een dringende reden om af te zien van de herziening van de uitkering dan wel om af te zien van gehele of gedeeltelijke terugvordering is ons niet gebleken.

Voor wat betreft de vastgestelde boete overwegen wij het volgende.

Wij blijven van oordeel dat u de inlichtingenplicht heeft overtreden. Wij zijn van oordeel dat u alle wijzigingen aan ons had moeten doorgeven. Daarom zijn wij van oordeel dat wij terecht een boete aan u hebben opgelegd in verband met het schenden van de inlichtingenplicht. De boete wordt vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag en afgerond naar boven.

Gelet op het nieuwe bedrag van de terugvordering wordt het bedrag van de boete vastgesteld op € 450,--.

Van een dringende reden op grond waarvan wij kunnen afzien van het opleggen van de boete is ons niet gebleken.”

3.3.

Appellant heeft in zijn reactie op dit standpunt gesteld dat geen rekening wordt gehouden met zijn verklaring betreffende hulp aan naasten. Volgens hem is elke terugvordering onterecht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de tekst van de artikelen 8, 20, 25 en 27a van de WW en artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, voor zover en ten tijde hier van belang, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat artikel 22a, eerste lid, van de WW het Uwv verplicht tot herziening van een besluit tot toekenning van uitkering, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting van artikel 25 van de WW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag van uitkering. Artikel 36, eerste lid, van de WW verplicht het Uwv tot terugvordering van de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a en anderszins onverschuldigd is betaald.

4.2.

Bestreden besluit 2 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken. Met dat besluit heeft het Uwv de onjuistheid van bestreden besluit 1 erkend. Daarmee is gegeven dat bestreden besluit 1 terecht door de rechtbank is vernietigd en dat het incidenteel hoger beroep van het Uwv niet slaagt. Gelet op de inhoud van bestreden besluit 2 is de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit geheel in stand te laten, niet juist. Het hoger beroep van appellant slaagt en de aangevallen uitspraak zal in zoverre moeten worden vernietigd. Resteert de beoordeling van het beroep tegen bestreden besluit 2.

4.3.

In bestreden besluit 2 is terecht tot uitgangspunt genomen dat de door appellant verrichte werkzaamheden rond de verbouwing van het café in [woonplaats] moeten worden aangemerkt als werkzaamheden die verricht zijn in het economisch verkeer en waarvan het verkrijgen van geldelijk voordeel volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kon worden verwacht. De omstandigheid dat appellant het helpen bij de verbouwing van de zaal achter het café van zijn zus zonder geldelijke tegenprestatie zelf niet als werken ziet, maar als hulp aan zijn naasten, maakt dat niet anders.

4.4.

Gelet op waarnemingen die een inspecteur van het Uwv bij het café van de zus van appellant heeft gedaan, bezien in samenhang met wat appellant heeft verklaard, heeft het Uwv in bestreden besluit 2 tot uitgangspunt genomen dat appellant gedurende twee dagen heeft gewerkt in de perioden van 11 augustus 2011 tot en met 31 oktober 2011 en van 1 maart 2012 tot en met 27 juli 2012, en niet heeft gewerkt in de tussengelegen maanden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze schatting onjuist is. Voor zover nog onzekerheid bestaat over de precieze omvang van de werkzaamheden van appellant, kan die onzekerheid niet ten voordele van appellant strekken, nu hij deze zelf heeft veroorzaakt door geen melding te maken van deze werkzaamheden. Het standpunt van het Uwv dat appellant over de gewerkte uren de hoedanigheid van werknemer heeft verloren, met als gevolg dat appellant gedurende die perioden op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, van de WW slechts recht had op WW-uitkering gedurende drie dagen per week, is juist.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het Uwv gehouden is de over de in 4.4 genoemde perioden onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant terug te vorderen.

4.6.

Op grond van de gedingstukken staat voor de Raad vast dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft overtreden doordat hij het Uwv niet uit eigen beweging heeft gemeld dat hij in de perioden genoemd in 4.4 werkzaamheden heeft verricht rond de verbouwing van het café van zijn zus. Hiervan kan appellant zowel objectief als subjectief een verwijt worden gemaakt. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat diens zogenoemde “handlangeren” bij die verbouwing werkzaamheden zijn die in het algemeen in het economisch verkeer beloond worden en dus van invloed kunnen zijn op zijn recht op uitkering. Op grond van artikel 27a, eerste lid, van de WW is het Uwv daarom gehouden appellant een boete op te leggen wegens overtreding van de inlichtingenverplichting.

4.7.

Bij bestreden besluit 2 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van 10% van het benadelingsbedrag en dit bedrag naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-, te weten

€ 450,-. De in dit geding aan de Raad gebleken verwijtbaarheid van appellant, de omstandigheden waaronder hij zijn overtreding heeft begaan en zijn persoonlijke omstandigheden geven geen aanleiding om van een ander bedrag dan € 450,- uit te gaan. Deze boete is hier passend en geboden.

4.8.

Conclusie uit 4.3 tot en met 4.7 is dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.

5. Voor een veroordeling van proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding, omdat van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde

besluit van 11 maart 2013 in stand zijn gelaten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 30 juli 2015 ongegrond;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.S. van der Kolk en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2015.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) P. Boer

TM