Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4190

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
14/5096 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding uitgekeerd na ongeval. Gedeelte voor huishoudelijke hulp niet buiten aanmerking laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/23

Uitspraak

14/5096 WWB

Datum uitspraak: 24 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 juli 2014, 13/3972 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H. Mollema-de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 14/3453 WWB, plaatsgevonden op

13 oktober 2015. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Mollema-de Jong. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen. In zaak 14/3453 wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1

Appellant heeft op 23 juli 2005 een auto-ongeluk gehad. Appellanten ontvingen sindsdien bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Naar aanleiding van vragen over de aanschaf van een auto en verbouwing van de tuin door appellanten in november 2011 heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 6 november 2012. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat appellanten, in verband met het ongeluk, in de periode september 2005 tot en met 4 november 2011 van Achmea Schadeverzekeringen N.V. (Achmea) betalingen als vergoeding voor schade hebben ontvangen tot een bedrag van in totaal € 150.000,-.

1.2.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

23 maart 2012 de bijstand met ingang van 1 november 2011 in te trekken. Verder heeft het college bij besluit van 29 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 juni 2013 (bestreden besluit), de algemene bijstand over de periode van 23 juli 2005 tot en met

16 februari 2011 teruggevorderd voor een gedeelte dat als inkomen is aangemerkt op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB de algemene bijstand over de periode van 17 februari 2011 tot en met 31 oktober 2011 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd en de bijzondere bijstand over de periode van

1 november 2007 tot en met 31 oktober 2008 teruggevorderd op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB. De terugvordering van algemene bijstand en bijzondere bijstand bedraagt in totaal bruto € 57.443,15. De besluitvorming voor wat betreft de periode van 17 februari 2011 tot en met 31 oktober 2011 berust op de grond dat appellanten niet aan het college hebben gemeld dat zij (voorschotten van) schadevergoeding van Achmea hadden ontvangen, waardoor zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden. In die periode overschreed het vermogen van appellanten het voor de WWB geldende vrij te laten vermogen, zodat geen recht op bijstand bestond.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is, gelet op het verhandelde ter zitting, alleen nog in geschil de intrekking en terugvordering over de periode van 17 februari 2011 tot en met 31 oktober 2011.

4.2.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is een voorwaarde voor het recht op algemene bijstand dat er geen in aanmerking te nemen vermogen is. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de WWB, voor zover hier van belang, worden niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend: vergoedingen voor materiële schade voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.

4.3.

Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3892) volgt dat uit artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de WWB blijkt dat het aan het bijstandverlenend orgaan is om de grenzen te bepalen van wat uit het oogpunt van bijstandsverlening nog wel en wat niet verantwoord is. Daarbij moet het bijstandverlenend orgaan rekening houden met de omstandigheid dat bij zeer aanzienlijke uitkeringen de betrokkene in een zodanige financiële positie kan komen te verkeren dat het onverkort buiten beschouwing laten daarvan niet in overeenstemming is met het minimumbehoefte- en complementaire karakter van de bijstand. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de rechter met betrekking tot de keuze die het college heeft gemaakt slechts een terughoudende toets kan verrichten.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat van het totaalbedrag aan schadevergoeding dat appellanten van Achmea hebben ontvangen een bedrag van € 60.000,- is verstrekt onder de noemer van vergoeding van kosten van huishoudelijke hulp. In geschil is of het college dit bedrag in redelijkheid tot de middelen van appellanten heeft kunnen rekenen.

4.5.

Met toepassing van de in 4.3 beschreven wijze van toetsing komt de Raad tot het oordeel dat geen grond bestaat om het standpunt van het college over het vrij te laten deel van de ontvangen schadevergoeding voor onjuist te houden. De motivering die het college heeft gegeven in het bestreden besluit is voldoende dragend voor het oordeel dat de € 60.000,-, met als omschrijving huishoudelijke hulp, volledig wordt toegerekend aan de middelen en niet voor een (gedeeltelijke) vrijlating in aanmerking komt. Appellanten hebben immers sedert het ongeluk in juli 2005 geen huishoudelijke hulp gehad, geen uitgaven voor huishoudelijk hulp gedaan noch geld daarvoor gereserveerd. Dat in de benodigde huishoudelijke hulp destijds werd voorzien door familieleden, zoals appellanten eerst ter zitting hebben aangevoerd, hebben zij niet aannemelijk gemaakt. De stelling van appellanten dat zij daarvoor geen geld hadden, omdat zij vanaf februari 2011 geen recht op bijstand hadden en dat geld opgesoupeerd hebben voor hun levensonderhoud, volgt de Raad niet. Uit het door appellanten overgelegde overzicht blijkt dat Achmea op 17 februari 2011 een bedrag van € 12.500,-, op 10 juli 2011 een bedrag van € 15.000,- en op 4 november 2011 een bedrag van € 108.000,- heeft betaald aan appellant. Appellanten hebben ervoor gekozen om een bedrag, zoals in hoger beroep gesteld, van € 35.588,- te besteden aan een auto en aan het opknappen van hun huis en hun tuin. Hieruit kan worden opgemaakt dat geen noodzaak bestond om dat geld te besteden aan huishoudelijke hulp.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en J.F. Bandringa en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) R.G. van den Berg

HD