Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4184

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
14/3453 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag ten onrechte afgewezen. Niet in aanmerking genomen vermogen.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 31
Participatiewet 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/65 met annotatie van H.W.M. Nacinovic

Uitspraak

14/3453 WWB

Datum uitspraak: 24 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

2 mei 2014, 13/4048 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H. Mollema-de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 14/5096 WWB, plaatsgevonden op

13 oktober 2015. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Mollema-de Jong. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen. In de zaak 14/5096 wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 23 juli 2005 een auto-ongeluk gehad. Sindsdien ontvingen appellanten bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Appellanten hebben, in verband met het ongeluk, in de periode van september 2005 tot en met

4 november 2011 van Achmea Schadeverzekeringen N.V. (Achmea) betalingen als vergoeding voor schade ontvangen tot een bedrag van in totaal € 150.000,-. Bij besluit van 23 maart 2012 heeft het college de bijstand per 1 november 2011 ingetrokken. Bij besluit van 29 november 2012, voor zover van belang, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 juni 2013, heeft het college de bijstand over de periode van 17 februari 2011 tot en met 31 oktober 2011 ingetrokken en de kosten van bijstand teruggevorderd, omdat appellanten in die periode beschikten over vermogen boven het voor de WWB geldende vrij te laten vermogen. In dat besluit heeft het college bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen vermogen op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de WWB op de schadevergoeding in mindering gebracht: een bedrag van € 10.000,- ten behoeve van de sportschool/medische kosten, een bedrag van € 15.000,- voor zelfwerkzaamheid en 1/3 deel van de immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 7.667,67, terwijl de vermogensgrens voor het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de WWB € 10.210,- bedroeg.

1.2.

Appellanten hebben op 8 januari 2013 een aanvraag ingediend om algemene bijstand ingevolge de WWB.

1.3.

Bij besluit van 21 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant sinds 15 november 2011 in het bezit is van een personenauto, [merk], die ten tijde van de aanvraag een waarde had van ongeveer € 20.000,-. Deze waarde overschreed de op dat moment geldende norm voor het vrij te laten vermogen voor echtparen van € 11.590,-.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellanten ten tijde van de aanvraag beschikten over een auto ter waarde van ongeveer € 20.000,- en daarmee over een vermogen dat de vermogensgrens overschreed. In het besluit van

27 juni 2013 heeft het college aanleiding gezien bepaalde vermogensbestanddelen vrij te laten, maar appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de auto onderdeel vormt van die vrijgelaten vermogensbestanddelen.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is of appellanten ten tijde van de aanvraag in het bezit waren van een vermogen dat boven de toepasselijke grens van de artikelen 31 en 34 van de WWB uitsteeg.

4.2.

Uit 1.1 volgt dat het college bij de vaststelling van het vermogen van appellanten in de periode van 17 februari 2011 tot en met 31 oktober 2011 in totaal een bedrag van (afgerond) € 42.877,- niet in aanmerking heeft genomen. Ten tijde van de aanvraag op 8 januari 2013 waren appellanten in het bezit van een [merk] ter waarde van € 20.000,- en hadden zij op hun bankrekening een saldo van ongeveer € 12.000,-. Het totale vermogen van appellanten bedroeg ten tijde van de aanvraag dus € 32.000,-. Nu dit bedrag lager is dan het bedrag van € 42.877,- dat het college niet in aanmerking heeft genomen, terwijl niet gebleken is dat appellanten de in 1.1 genoemde vrijgelaten bedragen op andere wijze hebben besteed, heeft het college ten onrechte gesteld dat het vermogen van appellanten uitsteeg boven de in dit geval geldende grens ingevolge de WWB. Anders dan de rechtbank stelt, kan het geld dat appellanten van Achmea op hun bankrekening hebben ontvangen, niet worden onderscheiden in geld dat niet, en geld dat wel is vrijgelaten van het vermogen. Daarom kan evenmin worden gesteld dat de auto is betaald uit het niet vrijgelaten deel van het vermogen.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college zal een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2013 moeten nemen. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:113, tweede lid, van de Awb aangezien een mogelijk nieuw geschil over de zaak betrekking zal hebben op een ander geschilpunt dan het onderhavige.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 1.960,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 3 juli 2013;

- draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van

deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en J.F. Bandringa en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) R.G. van den Berg

HD