Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4183

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
14/3377 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Werkzaamheden als prostituee. Recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/3377 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 mei 2014, 13/3769 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante), erfopvolgster van [Betrokkene] (betrokkene), laatstelijk gewoond hebbende de [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Uden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.E. van den Ing, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en, desgevraagd, stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.R.M. Verweijen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene heeft vanaf 1 juni 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande. Op de bijstand werden tot en met

januari 2012 inkomsten van betrokkene uit prostitutie in mindering gebracht. Deze korting van inkomsten is beëindigd omdat betrokkene had opgegeven dat zij vanwege ziekte niet meer in staat was haar werkzaamheden als prostituee te verrichten.

1.2.

Naar aanleiding van een ontvangen anonieme tip eind 2012, dat betrokkene inkomsten uit prostitutie zou hebben, heeft de sociale recherche van de regio ’s-Hertogenbosch (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verstrekte bijstand. Dit onderzoek heeft onder meer bestaan uit waarnemingen in de periode van

5 november 2012 tot en met 21 november 2012 op de parkeerplaats [naam plaats] aan de Rijksweg A59 tussen [plaatsnamen] (parkeerplaats) en in de polder in de directe omgeving van deze parkeerplaats. Tijdens een onaangekondigd huisbezoek aan de woning van betrokkene op 22 november 2012 is zij met de waarnemingen geconfronteerd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 27 november 2012.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij twee afzonderlijke besluiten van 6 december 2012 de algemene bijstand en de bijzondere bijstand van betrokkene met ingang van 5 november 2012 te beëindigen (lees: in te trekken). Bij besluit van 17 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van betrokkene tegen de besluiten van 6 december 2012, met verbetering van gronden, ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt, kort gezegd, ten grondslag dat betrokkene vanaf 5 november 2012 werkzaamheden als prostituee heeft verricht waarvan zij geen opgave heeft gedaan aan het college en waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte als uitgangspunt genomen dat de parkeerplaats wordt gebruikt voor prostitutie en daarom was aan te merken als werkplek van betrokkene. De parkeerplaats werd in het verleden gebruikt voor illegale prostitutie, maar die is door handhavend optreden door de overheid zo goed als verdwenen. De werkplek van betrokkene was in [naam] omdat zij legaal in de tippelzone aldaar werkzaamheden als prostituee kon verrichten. Voorts heeft appellante aangevoerd dat seksuele handelingen in de regel in de privésfeer zonder betaling worden verricht, zodat vastgesteld moet worden of betrokkene geld heeft ontvangen. De sociale recherche heeft ten onrechte nagelaten te onderzoeken of de waargenomen personen betrokkene hebben betaald voor het verrichten van seksuele handelingen, wat nodig is om vast te kunnen stellen dat sprake is van op geld waardeerbare arbeid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De sociale recherche heeft gerapporteerd dat het via het internet en de politie van algemene bekendheid is dat de parkeerplaats door meerdere prostituees wordt gebruikt om klanten op te pikken. Daarnaast hebben zij uit eigen waarneming vastgesteld dat daarvan tijdens het onderzoek nog steeds sprake was. Zo heeft de sociaal rechercheur gerapporteerd dat hij tijdens het posten diverse keren is aangesproken door vrouwen die hun seksuele diensten tegen betaling van tenminste € 30,- per vijftien minuten aanboden. Aan hem is duidelijk gemaakt dat de seksuele handelingen in de polder plaatsvinden.

4.2.

De waarnemingen van de activiteiten van betrokkene, waarvan gedetailleerd verslag is gedaan, vormen voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat zij zich op de parkeerplaats ophield om mannelijke voorbijrijdende bestuurders aan te bieden om seksuele handelingen te verrichten en dat ook door meerdere bestuurders op dat aanbod is ingegaan. Dergelijke handelingen, in de context waarin betrokkene deze verrichtte en in het verleden ook heeft verricht, zijn aan te merken als op geld waardeerbare activiteiten. Dat het verrichten van deze seksuele activiteiten vanuit de parkeerplaats enkel en alleen hobbymatig plaatsvond, zoals betrokkene tijdens de hoorzitting heeft verklaard, doet niet af aan het feit dat appellante daarvoor geld kon verkrijgen, zoals zij voorheen ook kreeg, en waarvoor, gelet op de gerapporteerde vergoeding van tenminste € 30,- per kwartier, ook geld wordt gevraagd. Gelet op de waarnemingen op de parkeerplaats en de verklaring van betrokkene tijdens de hoorzitting over haar activiteiten op de parkeerplaats is niet van betekenis dat betrokkene de werkzaamheden in [naam] legaal kon verrichten.

4.3.

Het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden is van belang voor het recht op bijstand. Betrokkene heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door van haar werkzaamheden geen opgave aan het college te doen. Ook nadien heeft betrokkene daarover geen opening van zaken gegeven, zodat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat door de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van betrokkene vanaf 5 november 2012 niet kon worden vastgesteld.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat de door appellante aangevoerde beroepsgronden niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en J.F. Bandringa en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) R.G. van den Berg

HD