Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4173

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
11/257 WAO-S
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad heeft er na de tussenuitspraak te lang over gedaan en ook de schadeprocedure heeft te lang geduurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/257 WAO-S

Datum uitspraak: 16 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden, de minister van Veiligheid en Justitie (Staat)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

8 december 2010, 09/3118, in het geding tussen verzoeker en het Uwv.

Bij einduitspraak van 23 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2060, heeft de Raad op dit hoger beroep beslist. Daarbij heeft de Raad het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van verzoeker om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad tevens de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst, werkzaam bij de Raad voor de Rechtspraak, bij brief van 15 september 2014 een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het Uwv heeft bij brief van 24 november 2014 een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. In zijn uitspraak van 23 mei 2014 heeft de Raad vastgesteld dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden.

2. De Raad komt nu tot de volgende beoordeling.

2.1.

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van verzoeker gedurende de procesgang en de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang van verzoeker van betekenis, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

2.2.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In die uitspraak heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding is gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. De in overweging 2.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingstermijn gerechtvaardigd te achten.

2.3.

Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:809) wordt in een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak is gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak van de hoger beroepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hoger beroepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.

2.4.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vast staat dat vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift op 6 februari 2009 tot de datum van de uitspraak van de Raad op 23 mei 2014, vijf jaar en ruim drie maanden zijn verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn met een jaar en ruim drie maanden dient in beginsel te worden gecompenseerd door een vergoeding van € 1.500,- ten laste van het Uwv.

Van dit bedrag dient € 500,- ten laste van de Staat te worden gebracht aangezien tussen de mededeling door het Uwv van het nemen van een nadere beslissing op bezwaar op 4 maart 2013 tot de einduitspraak van de Raad van 23 mei 2014 een jaar en ruim twee maanden zijn verstreken.

2.5.

De duur van een schadeprocedure als deze, waarin uitsluitend de schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn aan de orde is, kan niet in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn in de hoofdzaak. Wel dient de schadeprocedure niet onnodig lang te duren, waarbij een termijn van een jaar niet onredelijk wordt geacht. De onderhavige schadeprocedure heeft na de einduitspraak van 23 mei 2014 langer geduurd dan een jaar, waarvoor geen rechtvaardiging kan worden gevonden. Aanleiding wordt dan ook gezien voor deze overschrijding een aanvullend bedrag toe te kennen van € 500,-, dat eveneens ten laste komt van de Staat.

2.6.

Uit hetgeen is overwogen in 2.4 en 2.5 volgt dat het Uwv dient te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan verzoeker tot een bedrag van € 1.000,- en dat de Staat dient te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan verzoeker tot een bedrag van eveneens € 1.000,-.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt het Uwv tot betaling aan verzoeker van een schadevergoeding tot een bedrag

van € 1.000,-;

- veroordeelt de Staat tot betaling aan verzoeker van een schadevergoeding tot een bedrag van

€ 1.000,-.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) P. Boer

UM