Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4168

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
14/2439 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:1870, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking ZW-uitkering. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische situatie van appellante op de datum in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2439 ZW

Datum uitspraak: 25 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 maart 2014, 13/450 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. van den Os hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als groepsbegeleidster voor 25 uur per week, toen zij zich per 16 april 2012 ziek meldde wegens pijnklachten aan haar rechterenkel. Per 1 juni 2012 is haar dienstverband beëindigd. Naar aanleiding van haar ziekmelding heeft appellante diverse keren het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft overwogen dat appellante met ingang van 29 oktober 2012 in staat moet worden geacht haar arbeid te verrichten.

1.2.

Bij besluit van 25 oktober 2012 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat haar uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 29 oktober 2012 wordt beëindigd. Aan dit besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts van 25 oktober 2012 ten grondslag. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 17 december 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 december 2012 ten grondslag.

2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.1.

De rechtbank heeft op 12 september 2013 een tussenuitspraak gedaan en het Uwv, met toepassing van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht, in de gelegenheid gesteld een gebrek te (laten) herstellen. Het Uwv heeft op 17 december 2013 van die gelegenheid gebruik gemaakt. Daarna heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

2.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv met een rapport van 6 februari 2014 het motiveringsgebrek betreffende de beperkingen van appellante in relatie tot de belasting van haar werk, voldoende heeft hersteld en er in is geslaagd nader te motiveren waarom appellante op de datum in geding in staat moet worden geacht haar werk te verrichten. Over de medische toestand van appellante heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen reden is de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken dat appellante haar werk zonder krukken moet kunnen verrichten.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de stelling dat appellante haar eigen werkzaamheden zonder krukken zou kunnen uitvoeren en heeft de vraag of appellante in staat moet worden geacht zonder krukken haar werkzaamheden te verrichten, onbeantwoord gelaten. Voorts heeft appellante aangevoerd dat in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 februari 2014 wordt uitgegaan van de onjuiste veronderstelling dat er geen beperkingen meer waren ten aanzien van haar enkel, en dat de rechtbank hier ten onrechte aan is voorbijgegaan. Appellante heeft aangevoerd dat zij met haar beperkingen niet in staat is haar arbeid te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van het vijfde lid van artikel 19 van de ZW, is – voor zover hier van belang – bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.2.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische situatie van appellante op de datum in geding. Deze arts heeft appellante gezien tijdens de hoorzitting, dossierstudie verricht en informatie van de behandelend sector bij zijn beoordeling betrokken.

4.3.

Over de enkelklachten van appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het standpunt ingenomen dat van een objectiveerbaar medisch substraat geen sprake is, omdat daarvoor vooralsnog geen duidelijk pathologisch substraat is vastgesteld. Hij heeft voorts overwogen dat uit alle voorliggende informatie naar voren komt dat belanghebbende weliswaar nog aangeeft last te hebben van de rechterenkel, maar niet dat aan die klachten een aandoening ten grondslag ligt die het aannemelijk maakt dat appellante structureel en langdurig arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd voor het laatst verrichte werk. Er is geen aanleiding dit standpunt voor onjuist te houden.

4.4.

Het Uwv heeft over appellantes grond, dat ten onrechte is aangenomen dat zij in staat moet worden geacht zonder krukken haar werk te verrichten, overwogen dat uit het onderzoek van de verzekeringsarts van 25 oktober 2012 blijkt dat appellante zonder problemen en soepel kon lopen, en voorts gewezen op het oordeel van de orthopedisch chirurg van 29 december 2012, waaruit naar voren komt dat appellante haar enkel volledig mocht belasten. Er is geen reden aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen.

4.5.

Over de tijdens de zitting door appellante naar voren gebrachte grond dat uit de omstandigheid dat zij is geopereerd, volgt dat de verzekeringsartsen een onjuiste inschatting hebben gemaakt van de medische situatie van appellante, heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat de operatie drie maanden na de datum in geding is uitgevoerd, en dat er op de datum in geding geen sprake was van beperkingen, en als daar al sprake van was geweest, deze nog niet aan werkhervatting in de weg stonden. Uit de stukken blijkt niet dat dit standpunt onjuist is, zodat het Uwv terecht heeft besloten dat appellante op de datum in geding in staat moet worden geacht haar arbeid te verrichten, en is terecht met ingang van die datum haar ZW-uitkering beëindigd.

4.6.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2015.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

AP