Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4163

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
13-6151 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling Pgb. De in het buitenland ingekochte zorg moet wel de geïndiceerde zorg op grond van de AWBZ zijn. Appellante moet dat bij haar verantwoording aantonen. Daarin is zij niet geslaagd. Uit de door haar overgelegde stukken is geenszins komen vast te staan of aan haar de geïndiceerde AWBZ-zorg is verleend.

Intrekking Pgb. De gedragingen van appellante met betrekking tot 2011 kunnen niet worden aangemerkt als handelen in strijd met verplichtingen die bij de verlening van het pgb voor het jaar 2012 aan betrokkene zijn opgelegd. Ook verder blijkt niet dat appellante met de haar verweten handelswijze een aan het pgb voor het jaar 2012 verbonden verplichting heeft geschonden.

Wetsverwijzingen
Regeling subsidies AWBZ
Regeling subsidies AWBZ 2.6.9
Regeling subsidies AWBZ 2.6.12
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6151 AWBZ

Datum uitspraak: 25 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 oktober 2013, 13/153 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

VGZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. de Glas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft schriftelijk op het verweerschrift gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot] en mr. B. de Wijk. Namens het Zorgkantoor is mr. M.W. Teunissen verschenen. Tevens is B. van der Boor-Sretenovic verschenen als tolk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft aan appellante op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2011 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend. Het Zorgkantoor heeft het pgb voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2011 overeenkomstig de subsidieverlening vastgesteld.

1.2.

Het Zorgkantoor heeft in een besluit van 6 maart 2012 aan appellante meegedeeld de betaling van de voorschotten van haar voor het jaar 2012 verleende pgb te hebben geblokkeerd (lees: opgeschort), omdat van appellante niet het verantwoordingsformulier over 2011 is ontvangen. In een besluit van 6 juni 2012 heeft het Zorgkantoor dit pgb met ingang van 1 juni 2012 ingetrokken. Op 10 juli 2012 heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.3.

Appellante heeft op 14 augustus 2012 alsnog de verantwoording over de periode van

1 juli 2011 tot en met 31 december 2011 naar het Zorgkantoor gestuurd. Daarin heeft appellante een bedrag van € 21.169,25 verantwoord. Het Zorgkantoor heeft in een besluit van 20 september 2012 het pgb over die periode vastgesteld en daarbij van het verantwoorde bedrag een gedeelte van € 4.960,- goedgekeurd en de rest afgewezen. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt.

1.4.

Het Zorgkantoor heeft een beslissing op bezwaar van 14 december 2012 (bestreden besluit) genomen over de besluiten van 6 juni 2012 tot intrekking van het pgb en van

20 september 2012 tot vaststelling van het pgb over het tweede halfjaar van 2011. In het bestreden besluit heeft het Zorgkantoor het bezwaar tegen de intrekking ongegrond verklaard. Verder heeft het Zorgkantoor in het bestreden besluit het besluit van 20 september 2012 herzien, in die zin dat hij naast het goedgekeurde bedrag van € 4.960,- alsnog een bedrag van € 3.240,- heeft goedgekeurd. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2. De rechtbank heeft het beroep voor zover het betrekking heeft op de intrekking van het pgb per 1 juni 2012 gegrond verklaard en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het Zorgkantoor ten onrechte appellantes bezwaar van 10 juli 2012 gericht heeft geacht tegen het besluit van 6 juni 2012. Volgens de rechtbank was dat bezwaar gericht tegen het besluit van 6 maart 2012. Het Zorgkantoor is dan ook ten onrechte overgegaan tot een heroverweging van het besluit van 6 juni 2012. De rechtbank heeft appellantes beroep voor zover het betrekking heeft op de vaststelling van het pgb over de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2012 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen - kort gezegd - dat het Zorgkantoor terecht een gedeelte van de verantwoorde kosten niet heeft goedgekeurd.

3. Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

4. De Raad overweegt het volgende.

De vaststelling van het pgb over het tweede halfjaar van 2011

4.1.

Tussen partijen is in geding of het Zorgkantoor terecht de door appellante verantwoorde kosten voor [bedrijf 1] (€ 3.857,25) en [bedrijf 2] (€ 9.112,-), beide gevestigd in Roemenië, niet heeft goedgekeurd.

4.2.

Volgens het Zorgkantoor is onvoldoende komen vast te staan dat deze kosten betrekking hebben op zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Meer specifiek is volgens het Zorgkantoor niet gebleken dat de geïndiceerde zorg in de vorm van Persoonlijke Verzorging, Begeleiding, Verpleging of Verblijf is verleend. Dat blijkt niet uit het verantwoordingsformulier en ook niet uit de nota’s en de hotelinformatie. Weliswaar mag vanuit het pgb zorg in het buitenland worden ingekocht, maar die zorg moet dan wel aan de eisen voor AWBZ-zorg voldoen.

4.3.

Appellante heeft gesteld dat [bedrijf 1] zich presenteert als een zorghotel. AWBZ-zorg mag ook in het buitenland worden betrokken. Appellantes bewindvoerder heeft voor vertrek naar het buitenland contact gehad met het Zorgkantoor. Op basis van de informatie van het Zorgkantoor heeft de bewindvoerder de voorschotten aan appellante betaald. Door appellante te houden aan de eisen volgens de Rsa, stelt het Zorgkantoor zich niet realistisch op. In het buitenland is namelijk geen ervaring met een pgb. De standaardcontracten zijn niet bruikbaar en de diensten worden in een andere vorm gegoten. Tijdens het verblijf in beide locaties is verzorging geboden bij het opstaan, wassen, aankleden en dergelijke. Ook is appellante door het personeel geholpen bij het eten. Het Zorgkantoor heeft tot de dag van vandaag slechts beperkte informatie gegeven over het gebruik van een pgb in het buitenland.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat ook in het buitenland zorg mag worden ingekocht met het pgb. De stelling van appellante dat haar bewindvoerder op grond van informatie van het Zorgkantoor tot betaling aan haar van de voorschotten is overgegaan, is tegen die achtergrond dan ook begrijpelijk. De in het buitenland ingekochte zorg moet echter wel de geïndiceerde zorg op grond van de AWBZ zijn. Appellante moet dat bij haar verantwoording aantonen. Daarin is zij niet geslaagd. Uit de door haar overgelegde stukken is geenszins komen vast te staan of aan haar de geïndiceerde AWBZ-zorg is verleend. De vraag of de beide verblijfslocaties in Roemenië als een zorghotel moeten worden gekwalificeerd, is gelet op wat hiervoor is overwogen niet relevant.

4.5.

De beroepsgronden van appellante slagen niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom in zoverre bevestigd.

De intrekking van het pgb per 1 juni 2012

4.6.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, kan het bezwaar van appellante van

10 juli 2012 gericht geacht worden tegen het besluit van 6 juni 2012. Gelet op de bewoordingen van het bezwaarschrift richt het zich tegen het niet meer verkrijgen van een pgb, hetgeen ook gericht geacht kan worden tegen de intrekking van het pgb. Het Zorgkantoor is dan ook terecht tot een heroverweging van dat besluit overgegaan. Daarom vindt een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit plaats.

4.7.

Aan de intrekking van het pgb per 1 juni 2012 ligt volgens het bestreden besluit ten grondslag dat appellante over de periode van 1 juli 2011 tot en met 31 december 2011 zorg heeft verantwoord, waarbij zij niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9., eerste lid onder a en c van de Rsa.

4.8.

In artikel 2.6.9, eerste lid, van de Rsa is bepaald welke verplichtingen bij de verlening van een pgb aan de verzekerde worden opgelegd. Deze verplichtingen strekken ertoe te kunnen beoordelen of recht bestaat op een pgb. Hiermee is gegeven dat gedragingen van de verzekerde die niet van belang kunnen zijn voor een verleend pgb, niet kunnen worden aangemerkt als handelen in strijd met de bij verlening opgelegde verplichtingen.

4.9.

De onder 4.2. genoemde verantwoording heeft betrekking op het pgb voor het jaar 2011. Dit betekent dat de gedragingen van appellante met betrekking tot dat jaar niet kunnen worden aangemerkt als handelen in strijd met verplichtingen die bij de verlening van het pgb voor het jaar 2012 aan betrokkene zijn opgelegd.

4.10.

Ook verder blijkt niet dat appellante met de haar verweten handelswijze een aan het pgb voor het jaar 2012 verbonden verplichting heeft geschonden.

4.11.

Daarmee voorziet noch artikel 2.6.12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Rsa, noch artikel 4:48, eerste lid, van de Awb in een grondslag voor de intrekking van het voor 2012 aan betrokkene verleende pgb wegens de haar verweten handelwijze. Er is ook geen andere wettelijke bepaling die een grondslag biedt voor deze intrekking.

4.12.

Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante slaagt. De aangevallen uitspraak wordt in zoverre vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, wordt appellantes beroep tegen het bestreden besluit voor zover het betrekking heeft op de intrekking van het pgb per 1 juni 2012 gegrond verklaard, wordt het bestreden besluit in zoverre vernietigd en wordt het besluit van 6 juni 2012 herroepen.

5. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten bedragen € 980,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover het betrekking heeft op de vaststelling van het pgb in 2011;

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover het betrekking heeft op de intrekking van het pgb per 1 juni 2012, verklaart appellantes beroep tegen het bestreden besluit in zoverre gegrond en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

  • -

    herroept het besluit van 6 juni 2012;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 980,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het griffiegeld van € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en

J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2015.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) V. van Rij

NK