Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4156

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
13-6995 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WWB-uitkering. Bankrekening niet gemeld. En/of rekening met zoon. Vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6995 WWB

Datum uitspraak: 24 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 december 2013, 13/92 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2015. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 4 augustus 1997, met een korte onderbreking, bijstand, ten tijde in geding op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst dat appellante naast haar uitkering over vermogen beschikt boven de vrij te laten vermogensgrens, heeft de sociale recherche van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar het vermogen van appellante. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat appellante over twee rekeningen beschikt die niet bekend waren bij het college. Het betreft een spaarrekening bij ABN AMRO met nummer [nummer 1] (ABN-rekening) en een bankrekening bij ING met nummer [nummer 2] (ING-rekening).

1.3.

Bij besluit van 12 oktober 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 januari 2011, heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 15 september 2010 ingetrokken op de grond dat appellante geen inlichtingen heeft verstrekt over haar vermogen en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Na een tussenuitspraak van de rechtbank heeft het college bij besluit van 22 november 2011, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 12 oktober 2010 opnieuw ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 15 september 2010 de beschikking had over vermogen boven de voor haar geldende vermogensgrens en dat als gevolg daarvan geen recht op bijstand bestaat. Bij uitspraak van 27 maart 2012 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het besluit van 22 november 2011 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1443, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 27 maart 2012, voor zover aangevochten, bevestigd.

1.4.

In het kader van het in 1.2 bedoelde onderzoek heeft de sociale recherche onder meer van de twee verzwegen rekeningen bankafschriften opgevraagd bij de ABN AMRO en bij de ING en appellante verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een

proces-verbaal uitkeringsfraude van 1 april 2011 en een aanvullend proces-verbaal uitkeringsfraude van 9 november 2012. In deze processen-verbaal is geconcludeerd dat appellante beschikte over andere inkomsten op de ABN-rekening en de ING-rekening, in de vorm van stortingen van haar zoons en kasstortingen, en over vermogen op deze rekeningen en deze rekeningen en inkomsten en dit vermogen heeft verzwegen.

1.5.

Het college heeft in de resultaten van het onderzoek aanleiding gezien om bij besluit van 20 juli 2011 de bijstand van appellante over de periode van 7 september 2006 tot en met

31 augustus 2010 in te trekken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 33.599,01 van appellante terug te vorderen vanwege, kort gezegd, haar vermogenspositie.

1.6.

Bij besluit van 27 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 juli 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vaststaat dat appellante bij het college geen melding heeft gemaakt van de

ABN-rekening, die op haar naam staat, en ook niet van de ING-rekening, die sinds 15 mei 2008 op naam van appellante en haar zoon [naam zoon] staat en voordien uitsluitend op naam van appellante stond. Appellante betwist dat zij van deze rekeningen melding had moeten maken nu de daarop staande tegoeden niet haar, maar haar zoon toebehoren. Zij beheert slechts deze rekeningen voor haar zoon en kan dus niet beschikken over de op de rekeningen staande tegoeden.

4.2.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een zogeheten “en/of”-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.3.

In zijn in 1.3 genoemde uitspraak heeft de Raad al geoordeeld dat appellante niet in deze bewijslast is geslaagd. De Raad overwoog daartoe het volgende:

“Zij heeft op geen enkele wijze met objectiveerbare en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de tegoeden op de ABN-rekening en de ING-rekening niet haar, maar haar zoon toebehoren. Voorts kan appellante niet worden gevolgd in haar stelling dat zij niet kan beschikken over de tegoeden op deze rekeningen. De ABN-rekening staat immers uitsluitend op haar naam en niet is gebleken van enige beperking van haar beschikkingsmacht over deze rekening. De door appellante overgelegde verklaring van 1 februari 2004, inhoudende dat de zoon van appellante haar toestemming geeft zijn geldzaken te regelen, is hiertoe onvoldoende. Dat appellante, naar zij stelt, met betrekking tot de ING-rekening slechts transacties kan verrichten tezamen met haar zoon, maakt, wat daar verder ook van zij, niet dat zij om die reden niet over het tegoed op deze rekening kan beschikken.”

De Raad ziet geen aanleiding om in het kader van het onderhavige hoger beroep tot een ander oordeel te komen. Ook thans heeft appellante niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de tegoeden op de ABN-rekening en de ING-rekening niet haar, maar haar zoon toebehoren. De in 4.1 weergegeven beroepsgrond slaagt daarom niet.

4.4.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat haar bijstandsconsulente heeft toegezegd dat appellante geld voor haar kinderen mocht sparen zonder dat zij daarvan melding hoefde te maken aan het college. Deze beroepsgrond slaagt niet, reeds omdat appellante op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat een dergelijke toezegging door de bijstandsconsulente van appellante is gedaan, nog daargelaten dat de gestelde toezegging geen betrekking heeft op het bij het college melden van de bankrekeningen en van de daarop staande tegoeden.

4.5.

Appellante heeft ten slotte aangevoerd dat zij recht heeft op bijstand over de periode vanaf 1 september 2010 tot en met 19 juni 2012. Deze beroepsgrond behoeft geen bespreking, omdat het bestreden besluit geen betrekking heeft op deze periode.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen ruimte. Het verzoek van appellante om veroordeling tot vergoeding van het door haar genoemde schadebedrag van € 65.000,- zal daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en W.F. Claessens en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2015.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C. Moustaïne

HD