Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4143

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
13-1251 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiebeschrijving en –waardering. Functie is juist en volledig omschreven. Toetsing functiewaardering is terughoudend. Indeling is niet onhoudbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1251 AW, 13/1253 AW, 14/3459 AW, 15/3722 AW, 15/5911 AW

Datum uitspraak: 19 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

7 februari 2013, 11/2088 en 11/1479 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Infrastructuur en Milieu (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken is in dit geschil appellant in de plaats getreden van de Minister van Verkeer en Waterstaat. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van appellant, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Verkeer en Waterstaat.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. I.J.L. Daemen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader besluit van 11 juni 2014 (nader besluit 1) aan de Raad gezonden

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.C. van Eck, drs. H.R. Peddemors, S.Vos en

T. van der Veen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Daemen.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Bij brief van 22 oktober 2014 heeft appellant nadere stukken ingediend en de Raad verzocht de behandeling van de hoger beroepszaak voort te zetten. Bij brief van 30 november 2014 heeft de Raad appellant verzocht binnen twaalf weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Appellant heeft een nader besluit van 22 april 2015 (nader besluit 2) aan de Raad gezonden.

Namens betrokkene heeft mr. J. Schepers, advocaat, een zienswijze op nader besluit 2 ingediend.

Appellant heeft een nader besluit van 21 juli 2015 (nader besluit 3) aan de Raad gezonden.

Betrokkene heeft voor zijn zienswijze op nader besluit 3 verwezen naar zijn zienswijze op nader besluit 2.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 8 oktober 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Eck, Vos en Van der Veen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Schepers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is sedert 1981 werkzaam bij Rijkswaterstaat. Met de invoering van het Functiegebouw Rijkswaterstaat sinds 1 januari 2006 is betrokkene werkzaam als [naam functie 1] bij directie Limburg van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat.

1.2.

In 2010 is een nulmeting uitgevoerd en is het takenpakket van betrokkene over de periode van 15 oktober 2009 tot en met 15 oktober 2010 (referentieperiode) vastgelegd. Bij besluit van 16 december 2010 heeft de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Limburg betrokkene namens appellant meegedeeld dat zijn functie met ingang van 15 oktober 2009 wordt beschreven en gewaardeerd als “ [functiefamilie] , functienaam [naam functie 1] met als aandachtsgebied [naam aandachtsgebied] en ingedeeld in hoofdgroep IV niveaugroep b, schaal 9.”

1.3.

Betrokkene heeft tegen het besluit van 16 december 2010 bezwaar gemaakt. Dit was voor appellant aanleiding om een nader onderzoek te laten uitvoeren, wat heeft geresulteerd in een door betrokkene en zijn leidinggevende op 14 april 2011 ondertekend formulier FUWASYS Sessie (FOF-formulier) en een door het Expertisecentrum Formatie Advies opgesteld rapport over de beschrijving en indeling van de aan betrokkene opgedragen werkzaamheden (eerste rapport ECFA). Bij brief van 10 mei 2011 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat het eerste rapport ECFA geen aanleiding is om het besluit van 16 december 2010 te herzien en dat dit rapport daarom moet worden gezien als een verdere motivering en aanvulling van dat besluit. Vervolgens is de bezwarenprocedure gecontinueerd.

1.4.

Bij besluit van 18 juli 2011 (bestreden besluit 1) heeft namens appellant de

directeur-generaal Rijkswaterstaat, na advies te hebben ingewonnen van de hoorcommissie bezwaren personele aangelegenheden van het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat, het bezwaar tegen het besluit van 16 december 2010, voor zover dat is gericht tegen de beschrijving van de functie, ongegrond verklaard. Bij besluit van 24 oktober 2011 (bestreden besluit 2) heeft namens appellant de directeur-generaal Rijkswaterstaat, na advies te hebben ingewonnen van de Commissie van Advies Bezwaren Functiewaardering (CABF), het bezwaar tegen het besluit van 16 december 2010, voor zover dat is gericht tegen de functiewaardering, eveneens ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met beslissingen inzake griffierecht en proceskosten - de beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en appellant opgedragen nieuwe besluiten te nemen op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant in het kader van het beschrijven van de functie van betrokkene en het toekennen van een specifiek aandachtsgebied niet heeft kunnen volstaan met het FOF-formulier als grondslag voor het vaststellen van de aan betrokkene feitelijk opgedragen werkzaamheden. Op dat formulier hebben zowel betrokkene als zijn leidinggevende dermate veel opmerkingen gemaakt en die opmerkingen zijn van dien aard dat niet gesteld kan worden dat over de feitelijk opgedragen werkzaamheden overeenstemming bestaat. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de referentieperiode slechts één jaar betreft en waarom daarvan in geval van betrokkene niet kan worden afgeweken.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat volstrekt duidelijk was hoe de tekst van functiebeschrijving luidde die beide partijen hebben geaccordeerd en dat de overweging van de rechtbank over de referentieperiode niet dragend is voor het dictum van de uitspraak.

4. In opdracht van appellant heeft het Expertisecentrum Organisatie & Personeel Cluster Advies/Formatieadvies een Rapport over de beschrijving en indeling van de functie van [naam functie 2] opgemaakt (tweede rapport ECFA). Bij nader besluit 1 heeft de hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat Zuid-Nederland namens appellant aan betrokkene meegedeeld dat, gelet op de inhoud van het tweede rapport ECFA, geen aanleiding bestaat anders te beslissen dan hij op 16 december 2010 heeft gedaan en dat hem een tweede nieuwe bezwaarmogelijkheid geboden moet worden waarbij de CABF betrokken kan zijn.

5. Ter zitting van de Raad van 10 juli 2014 zijn de volgende afspraken gemaakt:

a) uitgangspunt voor de indeling en de waardering van de functie van betrokkene is de beschrijving van de feitelijk opgedragen functie op het FOF-formulier met dien verstande dat:

°beide partijen akkoord zijn met de door betrokkene op het FOF-formulier geplaatste en niet weersproken opmerkingen;

°beide partijen akkoord zijn met de door de leidinggevende op het

FOF-formulier geplaatste niet weersproken opmerkingen;

°ondanks de door betrokkene op het FOF-formulier geplaatste en door de leidinggevende weersproken opmerking, beide partijen ermee akkoord zijn dat betrokkene beleids- en bedrijfsvoeringsondersteunende werkzaamheden uitvoert;

°beide partijen akkoord zijn met een referentieperiode die loopt van 15 oktober 2008 tot 15 oktober 2010;

°beide partijen akkoord zijn met de door betrokkene op de vragenlijsten ten behoeve van de nulmeting vermelde en door appellant niet betwiste ‘Percentage Inzet diverse rollen’.

b) appellant wint het advies van ECFA in over de indeling en waardering van de functie van betrokkene. In het advies dient aandacht te worden besteed aan de vraag of de functie wordt gekoppeld aan één of meer aandachtsgebied(en) en de toepassing van het zwaartepuntprincipe;

c) appellant stelt betrokkene in de gelegenheid om te reageren op het door ECFA uitgebrachte advies. Voor zover uit de reactie van betrokkene blijkt dat hij bezwaren heeft tegen de waardering van zijn functie, zal appellant alvorens een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene, advies inwinnen bij de CABF die betrokkene in de gelegenheid zal stellen te worden gehoord;

d) Appellant neemt, bevoegd, binnen vier maanden na 10 juli 2014 een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 16 december 2010 en zendt dat aan gemachtigde van de betrokkene en aan de Raad.

6.1.

Appellant heeft vervolgens de functiebeschrijving op basis van de afspraken zoals weergegeven in het proces-verbaal bijgesteld. De bijgestelde functiebeschrijving (functiebeschrijving 2) kent als functienaam ‘ [naam functie 2] ’ zonder dat een specifiek aandachtsgebied is genoemd. Uitgaande van functiebeschrijving 2 heeft het Expertisecentrum Organisatie & Personeel, Eenheid Organisatieadvies, in opdracht van appellant, een rapport over de waardering van de feitelijk opgedragen werkzaamheden van appellant opgesteld (derde rapport ECFA). Appellant heeft betrokkene daarop laten reageren. Vervolgens heeft appellant over de functiewaardering advies gevraagd aan de CABF. Het CABF heeft, na betrokkene te hebben gehoord, advies uitgebracht. De conclusie van het CABF is dat de functie van betrokkene moet worden ingedeeld in hoofdgroep IV

niveaugroep b, schaal 9.

6.2.

Bij nader besluit 2 besluit heeft de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat

Zuid-Nederland namens appellant, het bezwaar tegen het besluit van 16 december 2010 ongegrond verklaard.

6.3.

Bij brief van 28 juli 2015 heeft appellant meegedeeld dat nader besluit van 2

niet-bevoegdelijk is genomen. Bij die brief is het namens appellant door de directeur-generaal Rijkswaterstaat genomen nadere besluit 3 met dezelfde inhoud als het nadere besluit 2 gevoegd.

7. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

7.1.

De nadere besluiten 1, 2 en 3 worden, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

7.2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak ten onrechte de directeur-generaal Rijkswaterstaat als partij aangemerkt. De Raad heeft dit gebrek hersteld.

7.3.

Gelet op de in rechtsoverweging 5 onder a) weergegeven afspraken slaagt het hoger beroep van appellant niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7.4.

Betrokkene heeft tegen de nadere besluiten 1 en 2 aangevoerd dat zij onbevoegdelijk zijn genomen. Appellant heeft erkend dat de hoofdingenieur-directeur van Zuid-Nederland niet bevoegd was namens appellant te beslissen op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 16 december 2010. Dat betekent dat de nadere besluiten 1 en 2 niet in stand kunnen blijven.

7.5.

Voor zover betrokkene tegen nader besluit 3 heeft aangevoerd dat functiebeschrijving 2 onjuist en onvolledig is, wordt hij hierin niet gevolgd. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant met functiebeschrijving 2 een juiste uitvoering gegeven aan de rechtsoverweging 5 onder a) weergegeven afspraken. Anders dan betrokkene heeft gesteld, komt in functiebeschrijving 2 (namelijk onder het kopje contacten) tot uitdrukking dat hij contacten met bewoners onderhield. Wel slaagt het betoog van betrokkene dat bij nader besluit 3 ten onrechte de bij het besluit van 16 december 2010 gehanteerde functiebeschrijving is gehandhaafd waarin als aandachtsgebied ‘ [naam aandachtsgebied] ’ is opgenomen. Op grond van de in rechtsoverweging 5 onder a) weergegeven afspraken, is immers de functie van betrokkene opnieuw beschreven. In functiebeschrijving 2 is niet een specifiek aandachtsgebied genoemd.

7.6.

Betrokkene heeft tegen nader besluit 3 voorts aangevoerd dat de functie niet juist is gewaardeerd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 13 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2732) is de rechterlijke toetsing bij functiewaardering terughoudend. De rechter moet beoordelen of de waardering op voldoende gronden berust. Dat betekent dat de bestreden waardering niet in stand kan blijven als deze onhoudbaar is. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de beschreven functie op de kenmerken 1 (complexiteit van de werkzaamheden), 4 (aanpak van de werkzaamheden) en 6 (keuzevrijheid) van het door appellant gehanteerde functiewaarderingssysteem hoger scoort dan de score waarvan appellant in navolging van het CABF is uitgegaan. Dat standpunt heeft betrokkene echter niet beargumenteerd. Gelet daarop kan wat betrokkene tegen de bij nader besluit 3 gehandhaafde indeling in hoofdgroep IV niveaugroep b, schaal 9 heeft aangevoerd, niet tot de conclusie leiden dat die inpassing onhoudbaar is.

7.7.

Op grond van wat onder 7.5 en 7.6 is overwogen komt het nader besluit 3 voor vernietiging in aanmerking voor zover dat ziet op de handhaving van de bij het besluit van

16 december 2010 gegeven functiebeschrijving. Er is aanleiding om het besluit van

16 december 2010 te herroepen voor zover dat op de functiebeschrijving ziet en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb te bepalen dat functiebeschrijving 2 geldt. Nader besluit 3 blijft in stand voor zover daarbij de bij het besluit van 16 december 2010 gegeven functiewaardering is gehandhaafd.

8. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 1.715,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 478,-;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 juni 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 april 2015 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 juli 2015 gegrond en vernietigt dat besluit,

voor zover dat ziet op de handhaving van de bij het besluit van 16 december 2010 gegeven

functiebeschrijving;

- herroept het besluit van 16 december 2010, voor zover dat ziet op de functiebeschrijving,

bepaalt dat functiebeschrijving 2 geldt en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats

treedt van het vernietigde besluit van 21 juli 2015;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 juli 2015 voor het overige ongegrond;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.715,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2015.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD