Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4136

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
14/1602 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering tot en met 28 februari 2013. Daartoe heeft het Uwv gesteld dat, als werkgeefster het dienstverband had opgezegd, er tot en met die datum een opzegtermijn zou hebben gegolden. De schadevergoeding die appellant heeft ontvangen, moet worden beschouwd als loon over de opzegtermijn. Het Uwv heeft terecht geen reden gezien om de fictieve opzegtermijn vast te stellen op de door appellant met werkgeefster overeengekomen opzegtermijn van één maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1602 WW

Datum uitspraak: 21 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

6 februari 2014, 13/3938 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O. Planten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft appellant een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2015. Namens appellant is

mr. Planten verschenen. Het Uwv heeft zich met voorafgaande kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 1 juni 2001 in dienst getreden bij [naam werkgeefster] (werkgeefster). In artikel 1.5 van de voor zes maanden aangegane arbeidsovereenkomst tussen appellant en werkgeefster is ten aanzien van de opzegging van de arbeidsovereenkomst bepaald dat de arbeidsovereenkomst tussentijds - met inachtneming van de wederzijdse opzegtermijn van één maand - kan worden beëindigd. Per 1 december 2001 is de arbeidsovereenkomst omgezet naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarbij is bepaald dat de verdere bepalingen uit de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst van kracht bleven.

1.2.

Werkgeefster en appellant hebben op 19 november 2012 een beëindigingsovereenkomst gesloten. Hierin is onder meer bepaald dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 31 december 2012 zal worden beëindigd en dat werkgeefster appellant een beëindigingsvergoeding betaalt van € 60.000,-.

1.3.

Appellant heeft op 4 februari 2013 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 12 februari 2013 heeft het Uwv appellant tot en met

28 februari 2013 een uitkering op grond van de WW ontzegd. Daartoe heeft het Uwv gesteld dat, als werkgeefster het dienstverband had opgezegd, er tot en met die datum een opzegtermijn zou hebben gegolden. De schadevergoeding die appellant heeft ontvangen, moet worden beschouwd als loon over de opzegtermijn. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 februari 2013 omdat hij van mening is dat de ingangsdatum van de

WW-uitkering 1 januari 2013 moet zijn.

1.4.

Bij besluit van 25 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het besluit van 12 februari 2013 gehandhaafd. Daartoe heeft het Uwv gesteld dat in het geval een dienstbetrekking met wederzijds goedvinden is beëindigd, als fictieve opzegtermijn de voor werkgeefster op grond van artikel 7:672, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in acht te nemen opzegtermijn geldt. Gelet op de lengte van de arbeidsovereenkomst van appellant bedraagt deze drie maanden. Er is niet gebleken van een op grond van het BW toegestane kortere opzegtermijn. Het Uwv heeft geen reden gezien om de fictieve opzegtermijn vast te stellen op de door appellant met werkgeefster overeengekomen opzegtermijn van één maand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - voor zover relevant voor het geding in hoger beroep - overwogen dat in artikel 2, eerste lid, van de Gelijkstellingsregeling arbeidsuren is bepaald dat voor de toepassing van de fictieve opzegtermijn moet worden uitgegaan van de rechtens geldende opzegtermijn die is gedefinieerd als de door de werkgever op grond van artikel 7:672 van het BW in acht te nemen opzegtermijn. De voor de werkgever geldende opzegtermijn kan op grond van artikel 7:672, vijfde lid, van het BW, voor zover hier van belang, slechts worden verkort bij CAO, en niet bij individuele arbeidsovereenkomst. Op grond van artikel 7:672, tweede lid, van het BW geldt voor de werkgever in het geval van appellant een opzegtermijn van drie maanden. Het Uwv heeft daarom terecht appellant een WW-uitkering ontzegd tot en met 28 februari 2013.

3.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat voor de bepaling van de fictieve opzegtermijn de opzegtermijn moet gelden die appellant en werkgeefster zijn overeengekomen in de arbeidsovereenkomst. Dit is een tussen appellant en werkgeefster rechtens geldende opzegtermijn. Appellant heeft geen beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de overeengekomen opzegtermijn omdat er sprake was van een ziekmakend arbeidsconflict. Appellant was daartoe ook niet verplicht, aangezien artikel 7:672 van het BW dient ter bescherming van de werknemer.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de toepasselijke wet- en regelgeving wordt verwezen naar overweging 4 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

In geschil is uitsluitend de lengte van de zogenoemde fictieve opzegtermijn. Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze beroepsgronden uitvoerig besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals weergegeven in overweging zes van de aangevallen uitspraak en hierboven in overweging twee, worden onderschreven. Het Uwv is voor de bepaling van de fictieve opzegtermijn terecht uitgegaan van de voor de werkgever op grond van artikel 7:672 van het BW in acht te nemen opzegtermijn. Over deze periode wordt de beëindigingsvergoeding aangemerkt als inkomen uit arbeid en is er geen sprake van arbeidsurenverlies in de zin van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW. Dit betekent dat het recht op WW-uitkering is ontstaan op 1 maart 2013. Het Uwv heeft appellant daarom terecht een WW-uitkering ontzegd tot 1 maart 2013.

4.3.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2015.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) V. van Rij

AP