Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4133

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
14/2580 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 63%. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij het opstellen van de FML afdoende rekening gehouden met de medische beperkingen van appellant. Door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is afdoende toegelicht dat de voorgehouden functies geschikt zijn voor appellant, met inachtneming van de FML van 18 april 2013. Geen reden om niet de laatste functie van appellant als maatmanfunctie aan te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/2580 WIA

Datum uitspraak: 20 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

25 maart 2014, 13/448 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Lück, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 7 augustus 2015 heeft mr. D. van der Wal, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld. Bij brief van 17 september 2015 heeft mr. Van der Wal de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.R. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft in het verleden gewerkt als [naam functie 1] bij [naam B.V.] Per 1 oktober 2008 is de arbeidsovereenkomst met [naam B.V.] ontbonden. Appellant heeft vervolgens een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontvangen tot 1 juli 2010, met een korte onderbreking van twee maanden in 2009 gedurende welke periode hij heeft gewerkt als [naam functie 2] bij Stichting [naam Stichting] Per 1 juli 2010 is hij in dienst getreden bij de [naam Bank] als [naam functie 3] voor 36 uur per week.

1.2.

Op 23 september 2010 is appellant uitgevallen voor zijn werk vanwege buikklachten. Op 12 juli 2012 heeft hij een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 2 oktober 2012 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat voor hem met ingang van 5 oktober 2012 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 63%. Bij besluit op bezwaar van 26 april 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

1.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Ook is voldoende gemotiveerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep waarom hetgeen door de medisch adviseur van appellant in beroep is aangevoerd geen aanleiding geeft om meer of verdergaande beperkingen aan te nemen. Ten aanzien van het standpunt van appellant dat hij niet in staat is om voltijds te werken heeft de rechtbank geoordeeld zij onvoldoende aanknopingspunten ziet om te oordelen dat het bestreden besluit op dit punt op een onvoldoende medische grondslag berust. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is afdoende onderbouwd dat gelet op de in de Standaard “Verminderde Arbeidsduur” van januari 2000 genoemde indicatiegebieden “energetisch”, “beschikbaarheid” en “preventief”, geen medische noodzaak bestaat tot een urenbeperking. Wat betreft het beroep van appellant op zijn, door zijn ziekte niet gerealiseerde, toekomstverwachting van een hoger beloonde functie bij de [naam Bank] , die aanleiding zou moeten geven voor een maatmanwisseling, heeft de rechtbank overwogen dat dit standpunt onvoldoende steun in de beschikbare stukken vindt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft, volgens de rechtbank, met juistheid het laatst verrichte werk van [naam functie 3] bij de [naam Bank] aangemerkt als de maatgevende arbeid. Ten slotte heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de correctieberekening van het loonverlies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 5 september 2013 voor onjuist te houden.

2. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn medische beperkingen zijn onderschat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en dat met name ten onrechte geen medische urenbeperking is aangenomen. Verder heeft hij aangevoerd dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten onrechte de functie bij de [naam Bank] , waarin hij is uitgevallen, als maatgevende functie heeft genomen en niet de functie van [naam functie 1] die hij had bij [naam B.V.] . Het werk bij de [naam Bank] heeft appellant nog geen drie maanden gedaan en is daarom, zo stelt hij, niet representatief en geeft een onjuist beeld van zijn arbeidsverleden. Bovendien heeft hij deze baan destijds geaccepteerd in de veronderstelling dat dit een opstap zou zijn naar een beter betaalde functie bij de [naam Bank] , vergelijkbaar met zijn vroegere baan bij [naam B.V.] .

3.1.

De Raad komt tot het volgende oordeel.

3.2.

Ten aanzien van de medische aspecten heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het opstellen van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) afdoende rekening heeft gehouden met de medische beperkingen van appellant. Gelet op de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts ten aanzien van de vertaling van de medische situatie van een betrokkene naar objectiveerbare beperkingen voor arbeid, de voorhanden medische informatie van de behandelend sector en de ingebrachte informatie van medisch adviseur drs. M.A. Postma is er geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de door hem opgestelde FML van 18 april 2013. Appellant heeft in hoger beroep nogmaals gewezen op de noodzaak van een medische urenbeperking, gelet op zijn energetische beperkingen en de therapieën die hij volgt, waardoor hij beperkt beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat met de energetische beperkingen van appellant afdoende rekening is gehouden in de FML en dat voor een aanvullende urenbeperking geen grond is. Appellant heeft ter zitting nader toegelicht dat hij op de datum in geding van 5 oktober 2012 verschillende therapieën volgde. Op woensdagochtend volgde hij fysiotherapie in [plaatsnaam 1] in verband met nekklachten en lage rugklachten, op dinsdagmiddag en donderdagmiddag bewegingstherapie in [plaatsnaam 2] vanwege chronische vermoeidheid. Voor psychotherapie heeft hij zich ruim voor de datum in geding aangemeld maar in verband met een wachtlijst kon hij pas na de datum in geding met de therapie beginnen. Uit de brief van psychiater Brongers van 1 juli 2013 blijkt dat de intakefase eind februari 2013 was afgerond en dat vanaf die datum tweewekelijkse gesprekken hebben plaatsgevonden. Appellant heeft zelf aangegeven dat hij in november of december 2012 is begonnen met intakegesprekken. Hiermee is niet vast komen te staan dat appellant op de datum in geding psychotherapie volgde en dat dit één dagdeel per week in beslag nam. Ten aanzien van de fysiotherapie en bewegingstherapie heeft de rechtbank terecht overwogen dat over de indicatie en duur van de therapie en de mogelijkheid om de therapie elders op een ander moment te volgen teveel onduidelijkheid bestaat om te kunnen spreken van een behandeling die de beschikbaarheid vermindert. In hoger beroep heeft appellant deze onduidelijkheid niet kunnen wegnemen, zodat het hoger beroep op dit punt evenmin slaagt.

3.3.

Door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is afdoende toegelicht dat de voorgehouden functies geschikt zijn voor appellant, met inachtneming van de FML van 18 april 2013.

3.4.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft als maatmanfunctie aangenomen de laatste functie van appellant voordat hij uitviel. Dit was de functie van [naam functie 3] bij de [naam Bank] . Volgens vaste rechtspraak is de maatman degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde laatstelijk voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid verrichtte. Uitgangspunt hierbij is dat de verzekerde, ware hij niet arbeidsongeschikt geworden, de laatst verrichte arbeid zou zijn blijven uitoefenen waarmee is gegeven dat deze functie een juiste maatstaf oplevert bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Appellant genoot sinds 1 oktober 2008 een WW-uitkering, met een korte onderbreking van twee maanden in 2009 waarin hij werkte als [naam functie 2] , en is vervolgens met ingang van 1 juli 2010 een vast dienstverband aangegaan met de [naam Bank] in de functie van projectmedewerker. In deze situatie kan niet gezegd worden dat het Uwv ten onrechte de laatste functie van appellant bij de [naam Bank] als uitgangspunt heeft genomen voor de maatman. Het betoog van appellant dat, onder verwijzing naar de dagloongarantieregeling van de WW, bij de vaststelling van de maatman had moeten worden uitgegaan van zijn vroegere functie bij [naam B.V.] , aangezien deze regeling van toepassing zou zijn geweest indien hij de baan bij de [naam Bank] niet had geaccepteerd en zijn WW-uitkering had behouden slaagt niet, aangezien de Wet WIA een dergelijke regeling voor de vaststelling van de maatman niet kent.

3.5.

Van het onder 3.4 genoemde uitgangspunt kan onder omstandigheden worden afgeweken, bijvoorbeeld in het geval dat de laatste functie van meet af aan niet geschikt was dan wel in gevallen van niet gerealiseerde toekomstverwachtingen of verkregen nieuwe bekwaamheden of langdurige werkloosheid. Appellant heeft aangevoerd dat hij de (ten opzichte van zijn functie bij [naam B.V.] aanmerkelijk lager betaalde) baan bij de [naam Bank] destijds heeft geaccepteerd in de veronderstelling dat dit een doorstart zou zijn naar een beter betaalde functie bij de [naam Bank] , vergelijkbaar met zijn vroegere baan bij [naam B.V.] . Hiermee heeft appellant een beroep gedaan op het leerstuk van de niet gerealiseerde toekomstverwachting. Dit leerstuk ziet op de situatie waarin met een redelijke mate van zekerheid ervan mag worden uitgegaan dat de verzekerde, als hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden, een andere functie dan de functie waarin hij is uitgevallen zou zijn gaan bekleden of een ander (hoger) loon dan het genoten loon ten tijde van de uitval zou zijn gaan genieten. Indien een dergelijke, in voldoende mate vaststaande, functiewisseling, functiewijziging of loonsverhoging als gevolg van het intreden van de arbeidsongeschiktheid geen doorgang heeft gevonden, kan er aanleiding zijn om voor de bepaling van de maatgevende functie ervan uit te gaan dat die functiewisseling, functiewijziging of loonsverhoging wel heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak met juistheid geoordeeld dat appellant niet heeft kunnen onderbouwen dat met een redelijke mate van zekerheid vaststaat dat hij, ware hij niet arbeidsongeschikt geworden op 23 september 2010, vanaf medio 2012 geheel op hetzelfde niveau zou hebben gefunctioneerd als bij [naam B.V.] en ook een dienovereenkomstige salariëring zou hebben genoten. Nu appellant in hoger beroep de Raad evenmin heeft kunnen overtuigen van de gestelde toekomstverwachting treft het hoger beroep op dit punt evenmin doel.

3.6.

Gelet op de overwegingen 3.2 tot en met 3.5. dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

3.7.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en E. Dijt en P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2015.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) W. de Braal

AP