Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4131

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
13/4084 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning AOW-pensioen. Aan toekenning van een zogenaamd éénouderpensioen naar Nederlands nationaal recht staat in de weg dat appellante voor haar kleinkind geen kinderbijslag ontving. Dat is een voorwaarde voor toekenning van het éénouderpensioen. Niet voldoende is, zoals appellante gesteld heeft, dat de moeder van het kind in het verleden kinderbijslag voor dat kind heeft ontvangen. Ook is niet voldoende dat het verdrag tussen Nederland en de Filippijnen uitbetaling van een uitkering mogelijk maakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

1. juli 2013, 12/2910 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] , Filippijnen (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2015. Appellante is daar, met bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluiten van 29 september 2011 en van 1 maart 2012 is aan appellante een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Het daartegen gerichte bezwaar van appellante is ongegrond geacht bij besluit van 3 mei 2012 (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, onder overweging dat appellante voor haar kleindochter, jonger dan 18 jaar, geen kinderbijslag ontvangt. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de AOW is dat vereist om in aanmerking te komen voor het door appellante gewenste (hogere) AOW-pensioen naar de norm van een ongehuwde pensioengerechtigde met een kind van jonger dan 18 jaar dat niet tot het huishouden van een ander behoort. In het feit dat appellante telefonisch niet is gehoord over haar bezwaar heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het bestreden besluit te vernietigen, omdat de oorzaak daarvan was gelegen in problemen met de telefoonverbinding met de Filippijnen en appellante buiten het geplande horen om wel de gelegenheid heeft gehad haar bezwaar toe te lichten. Ook heeft de rechtbank overwogen dat de Svb van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om de beslissing op bezwaar te verdagen, onder mededeling daarvan aan appellante.

3.1.

In hoger beroep is in geding of appellante recht heeft op een ouderdomspensioen naar de hiervoor bedoelde, hogere maatstaf (éénouderpensioen). Appellante heeft aangevoerd dat het tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Filippijnen gesloten verdrag inzake de export van sociale verzekeringsuitkeringen (gesloten te Manilla op 10 april 2001, Trb. 2001, 96) het mogelijk maakt dat die uitkering aan haar wordt toegekend. Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij in verband met het horen op de afgesproken data heeft gewacht op telefonisch contact met de Svb en dat zij overigens wel 14 keer heeft gebeld met de Svb. Ook heeft appellante erop gewezen dat gewone mensen, wanneer zij een termijn overschrijden, een boete moeten betalen.

3.2.

De Svb heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat aan toekenning van een zogenaamd éénouderpensioen naar Nederlands nationaal recht in de weg staat dat appellante voor haar kleinkind geen kinderbijslag ontving. Dat is een voorwaarde voor toekenning van het éénouderpensioen. Niet voldoende is, zoals appellante gesteld heeft, dat de moeder van het kind in het verleden kinderbijslag voor dat kind heeft ontvangen. Ook is niet voldoende dat het verdrag tussen Nederland en de Filippijnen uitbetaling van een uitkering mogelijk maakt.

4.3.

De rechtbank heeft terecht in het feit dat geen telefoonverbinding met appellante tot stand kon worden gebracht, gelet op de door haar vermelde omstandigheden, geen reden gezien om de beslissing op bezwaar te vernietigen. Van een dwangsom, door de Svb aan appellante verbeurd wegens het te laat beslissen op haar bezwaarschrift, kan geen sprake zijn, reeds omdat niet is gebleken dat appellante de Svb wegens overschrijding van de beslistermijn in gebreke heeft gesteld.

4.4.

Uit de overwegingen 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2015.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) N. van Rooijen

UM