Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4121

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
14/4684 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering herziening WAO-uitkering. Er is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zodat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding bestaat om met ingang van 18 februari 2002 de WAO-uitkering te herzien. Het verzoek van appellant kan ook niet leiden tot een hogere aanspraak op een recht op WAO-uitkering met ingang van 24 maart 2011.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4684 WAO

Datum uitspraak: 18 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 juli 2014, 11/5655 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2015.

Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant had met ingang van 24 december 1998 recht op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Met ingang van 1 juli 1999 is appellant gaan werken bij [naam werkgever] ( [werkgever] ) en zijn de inkomsten uit arbeid op grond van artikel 44 van de WAO verrekend met de WAO-uitkering. Appellant is bij besluit van 1 maart 2000 meegedeeld dat dit voor maximaal 36 maanden zou zijn. De WAO-uitkering is vanaf 1 juli 1999 niet meer tot uitbetaling gekomen. De WAO-uitkering is bij besluit van 19 april 2000 met ingang van 1 maart 2000 beëindigd omdat appellant met ingang van die datum geschikt werd geacht voor zijn werk bij [werkgever] en minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

1.2.

Op 19 februari 2001 is appellant voor zijn werkzaamheden bij [werkgever] uitgevallen wegens ziekte. Het Uwv heeft geen toepassing gegeven aan artikel 43a van de WAO, maar heeft appellant gedurende 52 weken in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), omdat deze uitkering hoger was dan een WAO-uitkering. Bij besluit van

19 april 2002, gewijzigd bij besluit van 3 juni 2002, heeft het Uwv appellant met ingang van 18 februari 2002 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt omdat hij het niet eens was met de vaststelling van het maatmaninkomen op € 23,11 per uur en van het dagloon op € 159,99. Bij beslissing op bezwaar van 14 februari 2003 heeft het Uwv de bezwaren van appellant ongegrond verklaard, onder vaststelling van het maatmaninkomen op € 24,33.

1.3.

Bij besluit van 15 maart 2005 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid na een herbeoordeling ongewijzigd vastgesteld op 45 tot 55%. Bij beslissing op bezwaar van 1 juli 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank Breda heeft het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar van 1 juli 2005 bij uitspraak van 8 februari 2006 ongegrond verklaard. Omdat appellant ook daarna volhardde in zijn standpunt dat het maatmaninkomen niet juist was vastgesteld heeft het Uwv hem bij brief van 4 april 2007 in de gelegenheid gesteld dat standpunt met loongegevens te onderbouwen. Tevens heeft het Uwv informatie opgevraagd bij de belastingdienst. Appellant heeft hierop niet gereageerd.

1.4.

Op 24 maart 2011 heeft het Uwv van appellant het verzoek ontvangen om de gehele WAO-beoordeling vanaf 19 maart 2001 te herzien. Volgens appellant - kort samengevat - heeft het Uwv ten onrechte geen rekening gehouden met een urenbeperking, gold er voor hem na de beëindiging van de WAO-uitkering met ingang van 1 maart 2000 gedurende

36 maanden een garantie, had hij zodoende met ingang van 18 februari 2002 recht op een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, en is zijn maatmaninkomen destijds te laag vastgesteld.

1.5.

Bij besluit van 20 juli 2011 heeft het Uwv het verzoek van appellant afgewezen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 27 september 2011 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 juli 2011 ongegrond verklaard.

2.1.

Bij tussenuitspraak van 19 maart 2013 heeft de rechtbank geconstateerd dat het Uwv niet inhoudelijk heeft gereageerd op de bezwaren van appellant, maar heeft volstaan met de algemene overweging dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden dan neergelegd in het besluit van 20 juli 2011. Het beroep van appellant is om die reden gegrond geacht. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat de WAO-beoordelingen per 18 februari 2002 en 15 maart 2005 rechtens onaantastbaar zijn geworden, er sprake is van een beoordeling op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat in het kader van de duuraanspraak bij de toetsing een onderscheid moet worden gemaakt tussen het verleden en de toekomst. Omdat een dergelijke toetsing niet was verricht door het Uwv heeft de rechtbank het Uwv in de gelegenheid gesteld om de motiveringsgebreken in bestreden besluit I te herstellen en alsnog een arbeidskundig onderzoek te starten naar de vraag of in het verleden mogelijk een te laag recht op uitkering is vastgesteld.

2.2.

Bij aanvullende beslissing op bezwaar van 23 mei 2013 (bestreden besluit II) heeft het Uwv - na onderzoek door een arbeidsdeskundige - het maatmaninkomen per 18 februari 2002 herzien en vastgesteld op € 25,56. Omdat dit geen gevolgen had voor de eerder vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55% heeft het Uwv geen reden gezien om terug te komen van zijn eerdere besluiten vanaf 2002 en heeft het Uwv de ongegrondverklaring van het bezwaar gehandhaafd. Naar aanleiding van nadere vragen van de rechtbank heeft het Uwv bij brieven van 22 augustus 2013 en van 20 februari 2014 een nadere motivering gegeven, het maatmaninkomen per 18 februari 2002 gewijzigd in € 26,43 en gemotiveerd dat het vervolgdagloon juist is vastgesteld.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv het verzoek om herziening van zijn eerdere besluiten over de arbeidsongeschiktheid van appellant terecht heeft afgewezen. Nu het Uwv in bestreden besluit I een onjuist toetsingskader heeft aangelegd en bestreden besluit II pas na nadere vragen van de rechtbank voldoende heeft gemotiveerd, heeft de rechtbank deze besluiten beide vernietigd en het beroep gegrond verklaard. Omdat het Uwv het motiveringsgebrek alsnog heeft hersteld bij brief van 20 februari 2014, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand gelaten. Het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank afgewezen omdat dit verzoek niet is geconcretiseerd. De rechtbank heeft het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant en tot het vergoeden van het griffierecht.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat de rechtbank zijn brief van 20 maart 2014, waarin hij heeft gereageerd op de brief van het Uwv van 20 februari 2014, niet heeft meegewogen bij haar beoordeling en ook heeft nagelaten het verzoek om schadevergoeding te beoordelen. Appellant heeft zijn standpunt gehandhaafd dat er sprake was van een urenbeperking, een garantie voor een uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% gedurende 36 maanden vanaf 1 juli 1999 en dat het Uwv na zijn uitval bij [werkgever] op 19 februari 2001 de verplichtingen van [werkgever] over de uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen, overuren, de WAO-hiaatverzekering, VUT en zijn pensioen had moeten overnemen, omdat hij als arbeidsgehandicapte viel onder de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten. Als het Uwv hiervoor zou hebben zorggedragen zou zijn maatmaninkomen hoger zijn geweest.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Er is volgens het Uwv geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden omdat de door appellant ingediende informatie destijds al bekend was of bekend had kunnen zijn. Over het maatmaninkomen heeft het Uwv zijn standpunt herhaald dat uit een memo van 10 januari 2001 van de werkgever blijkt dat op het salaris geen overwerkvergoeding meer van toepassing was. Over de overige elementen heeft het Uwv gesteld dat niet is gebleken dat deze daadwerkelijk aan appellant zijn betaald.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv het recht op WAO-uitkering, zoals dat is vastgesteld bij de in rechte vaststaande besluiten van

19 april 2002, in samenhang met 3 juni 2002, en 15 maart 2005, op goede gronden niet heeft herzien. Bij de beoordeling van het verzoek om herziening van appellant dient te worden uitgegaan van het aan artikel 4:6 van de Awb ontleende toetsingskader. Het betreft een lopende duuraanspraak. Voor het toetsingskader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.

4.2.

De door appellant bij zijn verzoek ingediende stukken heeft appellant ook al ingediend in verband met zijn bezwaar tegen de in 4.1 genoemde besluiten. Het betreft dus geen feiten of omstandigheden die ná de eerdere besluiten zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór de eerdere besluiten zijn voorgevallen, maar die niet vóór die besluiten konden worden aangevoerd. Er is dan ook geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zodat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding bestaat om met ingang van 18 februari 2002 de WAO-uitkering te herzien.

4.3.

Voor de periode na het verzoek van 24 maart 2011 moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toets plaatsvinden. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit, waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen. Bij deze beoordeling geldt dat de omstandigheid dat door tijdsverloop de situatie op de relevante beoordelingsdatum niet meer (verantwoord) is vast te stellen, daarbij in de regel voor risico van de verzoeker kan worden gelaten.

4.3.1.

De beroepsgrond van appellant dat de rechtbank bij haar beoordeling ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een (medische) urenbeperking slaagt niet. In de bezwaarprocedure tegen de besluiten van 19 april 2002 en 3 juni 2002 heeft een psychiatrische expertise plaatsgevonden en heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat er vanuit verzekeringsgeneeskundig oogpunt geen reden was voor het stellen van een urenbeperking. Appellant heeft bij zijn verzoek geen medische stukken ingediend op grond waarvan anders geoordeeld zou kunnen worden.

4.3.2.

Ook de beroepsgrond van appellant dat hij gedurende 36 maanden viel onder een garantie slaagt niet. Appellant heeft zich gebaseerd op het besluit van 1 maart 2000 waarin is verwezen naar de toepassing van artikel 44 van de WAO en is gesteld dat deze ‘korting’ maximaal gedurende een periode van 36 maanden kan plaatsvinden. Met het besluit van

19 april 2000 is aan de toepassing van artikel 44 van de WAO een einde gekomen, doordat appellant volledig werkzaam was in voor hem passend geachte arbeid en niet meer arbeidsongeschikt was. Appellant kon daarom aan artikel 44 van de WAO niet het recht ontlenen op voortzetting van zijn (oude) recht op WAO-uitkering na zijn uitval op 19 februari 2001.

4.3.3.

Appellant heeft verder het standpunt ingenomen dat het Uwv alle verplichtingen van [werkgever] had moeten overnemen, waaronder het afsluiten van een WAO-hiaatverzekering, een pensioenregeling en een spaarloonregeling, omdat hij als arbeidsgehandicapte in dienst is getreden van [werkgever] en vervolgens wegens arbeidsongeschiktheid is uitgevallen. Dit standpunt wordt niet gedeeld, omdat de in artikel 29b van de ZW neergelegde garantieregeling zover niet strekt. Aangezien appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat [werkgever] premies voor de door hem genoemde verzekeringen heeft afgedragen of bedragen heeft gestort of uitbetaald kunnen de daarmee gemoeide bedragen niet bij het maatmaninkomen worden betrokken, omdat daarvoor alleen het feitelijk genoten loon relevant is.

4.3.4.

Wat betreft de stelling van appellant dat een juiste verloning van het overwerk en vakantiedagen tot een hoger maatmaninkomen leidt, wordt als volgt overwogen. Uitgangspunt bij de vaststelling van het maatmaninkomen moet zijn het feitelijk genoten loon (ECLI:NL:CRVB:1998:AA8504). Het Uwv heeft het maatmaninkomen uiteindelijk vastgesteld op € 26,43, uitgaande van een all-in salaris. Uit het in 3.2 genoemde memo van

10 januari 2001 van de werkgever aan appellant blijkt dat het salaris van appellant is verhoogd naar een all-in loon, waarbij geen overwerkvergoeding meer van toepassing is. Appellant heeft weliswaar gesteld dat het memo van 10 januari 2001 hem destijds niet bekend is gemaakt, maar dat neemt niet weg dat hij geen stukken bij zijn verzoek heeft ingediend waaruit blijkt dat daadwerkelijke betaling van overuren heeft plaatsgevonden. Datzelfde geldt voor de resterende vakantiedagen. Appellant heeft ter zitting nog aangevoerd dat hij ook loon in natura heeft ontvangen. Omdat dat niet als verloond loon kan worden aangemerkt kan ook dat bestanddeel niet worden meegenomen in de berekening van het maatmaninkomen. Conclusie is dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het maatmaninkomen op

18 februari 2002 meer dan € 26,43 bruto bedroeg bij een omvang van een werkweek van

38 uur per week. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft daarmee ongewijzigd 45 tot 55% en er is dus geen sprake van een te lage aanspraak op een WAO-uitkering.

4.3.5.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van appellant ook niet kan leiden tot een hogere aanspraak op een recht op WAO-uitkering met ingang van 24 maart 2011.

4.4.

Voorts volgt uit het voorgaande dat de rechtbank het verzoek om vergoeding van schade terecht heeft afgewezen. Omdat het hoger beroep niet slaagt is veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk, zodat dit verzoek ook in hoger beroep wordt afgewezen.

4.5.

Uit 4.1 tot met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover deze is aangevallen.

4.6.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskosten veroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) K. de Jong

UM