Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4117

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
14/6333 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek om bevordering. De korpschef is binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling gebleven. Dat met de circulaire is beoogd het loopbaanbeleid onder meer met het oog op de komst van de nationale politie per 1 januari 2013 te harmoniseren, neemt niet weg dat de systemen en de normering op het terrein van beoordelen en bevorderen van de voormalige regiokorpsen tot die tijd onderlinge verschillen vertoonden. In het loopbaanbeleid is met zoveel woorden vermeld dat die verschillen geen beletsel zijn om te kunnen vaststellen of een medewerker ten minste voldoende functioneert. Hieruit volgt niet dat de enig mogelijke uitleg van het begrip ‘boven de norm’ het eerstvolgende niveau na ‘voldoende’ is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14 6333 AW

Datum uitspraak: 19 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

10 oktober 2014, 14/1026 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft S.A.J.T. Hoogendoorn hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door Hoogendoorn. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.J. de Wit, M.P. Doosje en G.J. Haitsma.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft appellant verzocht om wraking van

mr. dr. Van de Griend. Dit verzoek is bij uitspraak van 25 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3311, afgewezen.

Vervolgens heeft appellant om heropening van het onderzoek verzocht. Dit verzoek is afgewezen bij brief van 9 oktober 2015. Hierop heeft appellant verzocht om wraking van

mr. dr. Heijs. Dit verzoek is bij uitspraak van 9 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4028, afgewezen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is als politieambtenaar aangesteld bij de voormalige politieregio [regio] , laatstelijk in de functie van generalist Gebiedsgebonden Politie (GGP).

1.2.

Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 hebben de Minister van Veiligheid en Justitie en de politievakorganisaties op 9 september 2010 overeenstemming bereikt over de tweede tranche van de landelijk te harmoniseren arbeidsvoorwaarden politie (HAP II). Deze afspraken zijn vastgelegd in de op 1 november 2010 in werking getreden circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (Stcrt. 2010, 19782, circulaire).

1.3.

Een onderdeel van de harmonisatieafspraken is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de GGP’ (loopbaanbeleid). In die bijlage zijn de afspraken vastgelegd over de mogelijkheden tot doorstroming van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de doorstroming (bevordering) van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) is onder meer als vereiste gesteld dat sprake is van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’. Vermeld is dat het loopbaanbeleid vanaf 1 november 2010 geldt voor alle medewerkers bij de Nederlandse Politie, dat de Raad van korpschefs i.o. zich aan de circulaire heeft geconformeerd en dat het bevoegd gezag deze circulaire dient te volgen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.

1.4.

Het loopbaanbeleid is door de drie korpschefs van de voormalige politieregio’s van Noord-Nederland, te weten Groningen, Drenthe en [regio] , nader uitgewerkt in het voorgenomen besluit ‘Voorstel Implementatie Loopbaanbeleid GGP (HAP tweede tranche)’ van 11 september 2012 (implementatiebesluit). In het implementatiebesluit is vastgelegd dat de drie korpsen binnen Noord-Nederland verschillende beoordelingssystemen hanteren en op welke wijze elk korps invulling geeft aan de eis van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’. De Politiechef Noord-Nederland heeft, na instemming van de drie ondernemingsraden van de toenmalige korpsen en de ondernemingsraad van SSC-Noord, het implementatiebesluit definitief vastgesteld op 23 mei 2013.

1.5.

In het Friese beoordelingssysteem worden alle competenties en te behalen resultaten betrokken voor het bepalen van ‘vakmanschap boven de norm’. Voor de competenties wordt een vijfpuntschaal gehanteerd en voor de resultaten een driepuntschaal. Het eindoordeel gebaseerd op de gemiddelde score van de competenties moet zijn ‘overtroffen (gedrag boven niveau behorend bij functie)’ en voor de resultaten moet dat zijn ‘norm is ruim gehaald’.

1.6.

Medio november 2012 heeft appellant verzocht om bevordering naar de functie van senior GGP, schaal 8.

1.7.

Naar aanleiding van het verzoek om bevordering is op 8 mei 2013 over de periode van

1 januari 2010 tot 1 december 2012 een beoordeling vastgesteld waarbij voor drie competenties de norm is gehaald, voor de drie andere competenties de norm is overtroffen en er geen beoordeling op resultaatsniveau heeft plaatsgevonden, hetgeen heeft geresulteerd in het eindresultaat: ‘Goed.’ Op het beoordelingsformulier staat vermeld dat er geen toekomstverwachting is opgemaakt, omdat appellant niet wordt voorgedragen voor de functie van senior GGP.

1.8.

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft de korpschef het verzoek om bevordering afgewezen op de grond dat een recente beoordeling met het beoordelingsresultaat ‘overtroffen’ ontbreekt. Hiertegen alsmede tegen de op 8 mei 2013 vastgestelde beoordeling heeft appellant bezwaar gemaakt. De bezwarenadviescommissie Noord-Nederland (BAC) heeft de korpschef geadviseerd het bezwaar tegen de beoordeling ongegrond te verklaren. De BAC heeft geadviseerd het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om doorstroming gegrond te verklaren, omdat er gelet op de verschillen tussen de drie voormalige korpsen in de normering van het functioneren boven de norm ongewenste scheefgroei is ontstaan. De BAC heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zij zich kan vinden in de door de korpsen Drenthe en Groningen gehanteerde waardering bij het vaststellen van de normering ‘boven de norm’ en dat het korps [regio] uit de pas loopt en dus aansluiting zou moeten zoeken bij de methoden van de twee andere korpsen. Voorts merkt de BAC, onder verwijzing naar de uitvoeringsafspraken, op dat de verwachte geschiktheid voor senior GGP in de beoordeling dient te worden opgenomen, ook in het geval dat betrokkene niet functioneert boven de norm.

1.9.

Bij besluit van 15 januari 2014 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen de vaststelling van de beoordeling, in overeenstemming met het advies van de BAC, ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de beoordeling, in afwijking van het advies van de BAC, eveneens ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. De nadere invulling van het loopbaanbeleid heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van de Politiewet per 1 januari 2013. Op dat moment had elk korps afzonderlijk rechtspersoonlijkheid. Net als alle andere 25 korpsen heeft het korps [regio] nadere invulling gegeven aan het loopbaanbeleid vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid, bevoegdheid en rechtspositie. Daarbij was het korps niet gebonden aan de wijze waarop andere korpsen dit hebben gedaan. De Minister en de vakbonden hebben ook expliciet aangegeven dat het niet aan het Centraal Georganiseerd Overleg Politie (CGOP) is om het begrip ‘beoordeling boven de norm’ in te vullen, maar dat dit dient plaats te vinden per korps met instemming van de ondernemingsraad. Daarom wordt vastgehouden aan de invulling die het korps [regio] aan het begrip ‘beoordeling boven de norm’ heeft gegeven. Verder heeft de korpschef het advies van de BAC om alsnog een beoordeling over de verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP op te maken, niet overgenomen, omdat dit niet van invloed zal zijn op zijn besluit om het verzoek om bevordering af te wijzen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat tegen de beoordeling geen gronden naar voren zijn gebracht, dat het begrip ‘boven de norm’ uitgelegd moet worden als het eerstvolgende beoordelingsniveau boven ‘voldoende’

- en dat is ‘goed’ - en dat de uitvoeringsafspraken voorschrijven dat ongeacht de uitkomst van de beoordeling een oordeel over de verwachte geschiktheid dient te worden gegeven. De korpschef heeft aangevoerd dat de circulaire aan de korpsbeheerders de bevoegdheid toekent een nadere invulling te geven aan het begrip ‘boven de norm’ in zijn verweer invulling van het korps [regio] redelijk is en dat als aan deze voorwaarde niet wordt voldaan een beoordeling over de verwachte geschiktheid achterwege kan blijven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat tegen de beoordeling als zodanig geen gronden naar voren zijn gebracht. Appellant is het daar niet mee eens. De Raad stelt echter vast dat appellant in hoger beroep niet nader heeft onderbouwd waarom de vastgestelde beoordeling onjuist zou zijn. Voor zover het hoger beroep betrekking heeft op de beoordeling, kan dit dus geen doel treffen.

Boven de norm

4.2.

De korpschef heeft bij de beoordeling van aanvragen om bevordering naar de functie van senior GGP toepassing gegeven aan het loopbaanbeleid en het implementatiebesluit. Zoals de korpschef terecht heeft betoogd, kwam aan de toenmalige beheerders van de politieregio’s van Noord-Nederland de bevoegdheid toe om op korpsniveau aan het in het loopbaanbeleid opgenomen begrip ‘boven de norm’ een nadere invulling te geven. De beheerder van de politieregio [regio] was tot 2013 bevoegd om te beslissen over het bevorderen van medewerkers en had dus ruimte om binnen de (nieuwe) kaders van het loopbaanbeleid op korpsniveau over de voorwaarden voor bevordering te beslissen. De Raad verwijst in dit verband ook naar de in het bestreden besluit genoemde en in beroep overgelegde brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 26 oktober 2012 waarin is vermeld dat het vaststellen van het begrip ‘beoordeling boven de norm’ per korps in overleg met de eigen ondernemingsraad dient te geschieden en het niet aan het CGOP is om hier een afweging in te maken.

4.3.

Met de keuze om het begrip ‘boven de norm’ zo in te vullen dat alleen diegenen met het beoordelingsresultaat ‘overtroffen (gedrag boven niveau behorend bij functie)’ voor bevordering in aanmerking komen - én over een positief advies over hun verwachte geschiktheid beschikken - is de korpschef gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Dat met de circulaire is beoogd het loopbaanbeleid onder meer met het oog op de komst van de nationale politie per 1 januari 2013 te harmoniseren, neemt niet weg dat de systemen en de normering op het terrein van beoordelen en bevorderen van de voormalige regiokorpsen tot die tijd onderlinge verschillen vertoonden. In het loopbaanbeleid is met zoveel woorden vermeld dat die verschillen geen beletsel zijn om te kunnen vaststellen of een medewerker ten minste voldoende functioneert. Hieruit volgt niet dat de enig mogelijke uitleg van het begrip ‘boven de norm’ het eerstvolgende niveau na ‘voldoende’ is.

Verwachte geschiktheid

4.4.

In het loopbaanbeleid is als vereiste gesteld ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’.

De Raad deelt het standpunt van de korpschef dat hieruit volgt dat een oordeel over de verwachte geschiktheid achterwege kan blijven als er geen beoordeling boven de norm voorligt.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de afwijzing van het verzoek om bevordering in rechte standhoudt. Het hoger beroep slaagt ook in zoverre niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en B.J. van de Griend en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2015.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD