Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4107

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
24-11-2015
Zaaknummer
14/3449 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld ingevolge de ZW. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/3449 ZW

Datum uitspraak: 18 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 mei 2014, 13/9834 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk fulltime werkzaam geweest via een uitzendbureau als horecamedewerker. Op 6 juni 2012 heeft hij zich met terugwerkende kracht per 10 april 2012 ziek gemeld wegens psychische klachten. Aan appellant is een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van deze ziekmelding is appellant gezien op het spreekuur van een verzekeringsarts. Appellant is vervolgens een aantal maal voor een psychiatrische expertise opgeroepen maar is niet verschenen. Bij besluit van 25 juni 2013 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant met ingang van 25 juni 2013 geschorst op grond van het niet meewerken aan onderzoek.

1.2.

Na telefonisch contact met de broer van appellant is appellant op 23 augustus 2013 onderzocht door psychiater dr. D. Cohen, werkzaam bij Psyon. Bij zijn rapport van

24 september 2013 heeft psychiater Cohen verslag en advies uitgebracht. In een rapport van

4 oktober 2013 heeft een verzekeringsarts vervolgens vastgesteld dat er geen argumenten zijn om appellant ongeschikt te achten voor de laatst verrichte arbeid en dat appellant met ingang van 25 juni 2013 als hersteld voor de maatgevende arbeid is te beschouwen. Bij besluit van

4 oktober 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 25 juni 3013 geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de ZW. Het tegen het besluit van 4 oktober 2013 gemaakte bezwaar is vervolgens bij beslissing op bezwaar van 25 oktober 2013 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 oktober 2013 ten grondslag gelegd, waarin deze verzekeringsarts onder meer heeft geconcludeerd dat uit het onderzoek van psychiater Cohen is gebleken dat vooral sprake is van aanpassingsproblematiek aan een complexe sociale situatie en dat er geen sprake is van beperkingen die aan geschiktheid voor de eigen arbeid in de weg staan.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat zij geen aanleiding ziet het onderzoek door psychiater Cohen onzorgvuldig of onvolledig te achten. Voorts heeft een door appellant in beroep overgelegd rapport van de GGZ geen reden gegeven om te twijfelen aan de conclusies van psychiater Cohen. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bevindingen van de GGZ zien op de situatie zoals die was per

22 januari 2014. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een aanvullende reactie te kennen gegeven dat het rapport van de GGZ voornamelijk is gebaseerd op aannames die zijn afgeleid uit de woorden van appellant en dat dit rapport daarom de conclusies van psychiater Cohen niet zonder meer opzij zet. Tevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat zelfs als uitgegaan wordt van de door de GGZ gestelde diagnose dit nog niet tot een andere belastbaarheid op de datum in geding leidt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat. De rechtbank heeft onvoldoende waarde gehecht aan het rapport van de GGZ van 22 januari 2014. De conclusies die door de GGZ-psycholoog zijn getrokken waren ook op de datum in geding aan de orde. De rechtbank heeft onvoldoende gemotiveerd waarom zij meer waarde toekent aan het rapport en het daarin opgenomen standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dan aan het rapport van de GGZ-psycholoog.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld.

4.2.

Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsartsen de medische toestand van appellant op de datum in geding juist hebben ingeschat. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. In het rapport van psychiater Cohen is onder meer op basis van een aanvullend testonderzoek geconcludeerd dat sprake is van een niet gespecificeerde aanpassingsstoornis terwijl de beperkingen die in het verlengde van deze stoornis liggen niet als ernstig worden ingeschat. De verzekeringarts bezwaar en beroep heeft vervolgens in zijn rapport van 24 oktober 2013 de bevindingen van psychiater Cohen meegewogen en inzichtelijk gemotiveerd waarom appellant, rekening houdende met zijn psychische klachten, op de datum in geding geschikt was voor het verrichten van zijn arbeid.

4.3.

Voorts heeft de rechtbank op juiste gronden geoordeeld dat het in beroep overgelegde rapport van de GGZ van 22 januari 2014 geen aanleiding geeft het onderzoek van psychiater Cohen voor onjuist of onvolledig te houden. Dit geldt tevens voor het in hoger beroep ingebrachte behandelplan van de GGZ van januari 2015 dat grotendeels gelijk is aan het bij de rechtbank overgelegde rapport van de GGZ waarin wederom met name wordt uitgegaan van de anamnese van appellant. Voorts ontbreekt in dit rapport een zogenoemde validatietest. Het rapport is bovendien te ver verwijderd van de datum in geding. In het GGZ-rapport is vermeld dat appellant soms geluiden hoort en het gevoel heeft achtervolgd te worden. Volgens het rapport van psychiater Cohen heeft appellant bij zijn onderzoek echter ontkend stemmen te horen en last te hebben van psychotische verschijnselen. Appellant heeft ter zitting ook bevestigd dat daarvan ten tijde in geding geen sprake is geweest. Er is dan ook geen reden te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het mede op het rapport van psychiater Cohen gebaseerde bestreden besluit, zodat geen aanleiding wordt gevonden een onafhankelijke deskundige te benoemen.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en J.S. van der Kolk en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I. Mehagnoul

RH