Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4104

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
24-11-2015
Zaaknummer
13/6730 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie. Appellante heeft onvoldoende re-integratie-activiteiten verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6730 WIA

Datum uitspraak: 18 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 november 2013, 12/1901 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats 1] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[belanghebbende] te [woonplaats 2] (belanghebbende)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.I. Olivier hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2015. Namens appellante is A.J.H. Poell verschenen, bijgestaan door mr. Olivier. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J.M.H. Lagerwaard. Belanghebbende is eveneens verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.Belanghebbende is op 28 juni 2010 voor zijn werk als productieleider in dienst van appellante uitgevallen wegens een neurologische aandoening.

1.2.

Bij besluit van 29 mei 2012 heeft het Uwv het tijdvak waarin belanghebbende jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken tot

8 juni 2013. Die verlenging - ook wel loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de wachttijd van 104 weken als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Volgens het Uwv zijn de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende geweest en ontbreekt voor dat verzuim een deugdelijke grond. Het Uwv heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, in verbinding met artikel 65 van die wet.

1.3.

Appellante en belanghebbende hebben tegen het besluit van 29 mei 2012 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 november 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Bij besluit van gelijke datum is ook het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 november 2012 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 15 november 2012.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarbij het standpunt van het Uwv is onderschreven dat de inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest omdat appellante niet tijdcontingent maar klachtcontingent heeft gewerkt waardoor de re-integratie is blijven steken op een werkhervatting van 10 uur per week. Volgens de rechtbank heeft appellante zich onmiskenbaar ingespannen om belanghebbende te re-integreren maar had zij de werkzaamheden van belanghebbende, los van diens klachtbeleving, verder moeten uitbreiden. De rechtbank heeft de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 februari 2013 op het door appellante ingebrachte rapport van Ergatis van 24 oktober 2012 onderschreven dat ook daarin een dubbel aantal inzetbare werkuren is vermeld van wat appellante op advies van de bedrijfsarts heeft nagestreefd. Dat belanghebbende per 8 april 2013 in aanmerking is gebracht voor een WGA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

35 tot 80%, met een urenbeperking van 20 tot 25 uur per week, leidt daarom niet tot een ander oordeel. Met verwijzing naar rechtspraak van de Raad heeft de rechtbank overwogen dat adviezen van de bedrijfsarts met betrekking tot de re-integratie voor rekening van appellante als werkgever komen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante, samengevat, herhaald dat gelet op de aandoening van belanghebbende en de door hem tijdens de re-integratieperiode ondergane behandelingen bij hem maar een beperkte belastbaarheid bestond en de verrichte arbeidsomvang het maximaal haalbare was. Verder heeft appellante ter zitting een beroep gedaan op het op

24 augustus 2011 gegeven deskundigenoordeel, waarbij is aangesloten op de door de bedrijfsarts vermelde arbeidsmogelijkheden van 2 tot 4 uur per dag en is aanbevolen een revalidatietraject te starten. Volgens appellante heeft zij aan dat oordeel voldaan in lijn met bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad gepubliceerd onder ECLI:NL:CRVB:2011:BR2382.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. De re-integratie is ten onrechte gericht gebleven op 10 uur per week.

3.3.

Belanghebbende heeft zich achter het standpunt van appellante gesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep is in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin belanghebbende recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken tot 8 juni 2013 heeft verlengd omdat sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante zonder dat daarvoor een deugdelijke grond is.

4.2.

Voor het van toepassing zijnde wettelijk kader wordt verwezen naar wat de rechtbank hierover in de overwegingen 3 tot en met 6 van de aangevallen uitspraak heeft vermeld.

4.3.

Het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-activiteiten heeft verricht, is gebaseerd op de conclusies in de rapporten van de verzekeringsarts van

11 april 2012 en diens aanvullend rapport van 7 mei 2012 en van de arbeidsdeskundige van 21 mei 2012, alsmede op de in de bezwaarfase uitgebrachte rapporten zoals vermeld in 1.3. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten en de daarbij opgestelde

Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 april 2012 blijkt dat de verzekeringsartsen de belastbaarheid hoger inschatten dan de bedrijfsarts, die uitging van een belastbaarheid van maximaal 10 uur per week. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat belanghebbende vanaf februari 2012 gedurende 10 uren per week arbeid verrichtte met een loonwaarde van 12%, waardoor belanghebbende minder uren werkte dan mogelijk was. Volgens de arbeidsdeskundige is appellante afgegaan op het advies van de bedrijfsarts, waarvoor hij verantwoordelijk is en levert dat geen deugdelijke grond op voor de te geringe re-integratie. Dit oordeel is in bezwaar onderschreven.

4.4.

De stukken bieden voldoende steun voor het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-activiteiten heeft verricht. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. De bedrijfsarts heeft de belastbaarheid van belanghebbende op

23 mei 2011 vastgesteld op 2 tot 4 uur per dag. Tot februari 2012, toen het revalidatietraject was afgerond, heeft belanghebbende slechts op enkele dagen enkele uren per dag gewerkt. Uit de door de verzekeringsarts ingewonnen informatie bij de behandelend sector, zoals weergegeven in het rapport van 7 mei 2012, blijkt dat geen evidente betekenisvolle neurologische uitvalsverschijnselen zijn vastgesteld, er sprake is van een goedaardig verloop van de ziekte, met pijn- en vermoeidheidsklachten. Gelet op die bevindingen is er geen aanleiding de conclusies dat de bedrijfsarts ten onrechte van een maximale belastbaarheid van belanghebbende van 10 uur per week is uitgegaan, en dat de re-integratie onvoldoende is geweest zonder dat daarvoor een deugdelijke grond is, onjuist te achten. De rechtbank heeft met juistheid verwezen naar rechtspraak van de Raad dat appellante verantwoordelijk is voor de door de bedrijfsarts gegeven adviezen.

4.5.

Het beroep op het gegeven deskundigenoordeel kan appellante niet baten. In zijn door appellante genoemde uitspraak en bijvoorbeeld de uitspraken, gepubliceerd in ECLI:NL:CRVB:2012:BV6619 en ECLI:NL:CRVB:2015:2429 is overwogen dat een werkgever in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een deskundigenoordeel indien een bevestigend antwoord is verkregen op de vraag of de inspanningen tot re-integratie van werkgever en werknemer tot op dat moment voldoende zijn geweest. In dit geval was de aanleiding voor het deskundigenoordeel gelegen in de opvatting van belanghebbende dat hij niet in staat was arbeid te verrichten. In het deskundigenoordeel is aanbevolen een revalidatietraject te starten, dat is gevolgd en in februari 2012 was afgerond. Zoals hiervoor in 4.4. is overwogen was er geen reden de arbeidsmogelijkheden beperkt te houden tot maximaal 10 uur per week. Ook uit de hiervoor vermelde uitspraken blijkt dat, indien de

re-integratie-inspanningen na het verkregen deskundigenoordeel alsnog zijn gestagneerd, bij de beoordeling van de inspanningen terecht kan worden geconcludeerd dat de werkgever in de resterende periode alsnog is tekort geschoten in zijn verplichtingen. Die situatie doet zich ook hier ook voor.

4.6.

Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en J.S. van der Kolk en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I. Mehagnoul

RH