Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4094

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2015
Datum publicatie
24-11-2015
Zaaknummer
12-4528 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep. De brief van 26 juli 2005 kan niet worden aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 1 juni 2005. Dit betekent dat een op deze brief gegeven of nog te geven schriftelijke reactie van het college geen beslissing op bezwaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 19 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

3 juli 2012 11/916 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland (het college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. A.G. Kerkhof een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft een door appellant op 31 augustus 2012 ingesteld beroep doorgezonden naar de Raad.

Namens het college heeft mr. Kerkhof een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door Y.J.E.M. Litjens. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Kerkhof en A.J.J. Stegeman.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 8 oktober 2015. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kerkhof en Stegeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 april 1992 werkzaam bij het voormalige [district] en heeft op basis van ‘de Financieringsregeling huisvesting ambtenaren [district] 1993’ (Financieringsregeling) op 9 maart 1994 een hypothecaire geldlening van

f 420.000,- tegen een rente van 6,6% met een looptijd van vijftien jaar verstrekt gekregen. Deze lening is desgevraagd in januari 2000 omgezet in een lening van f 945.000,- tegen een rente van 5% met een looptijd van 25 jaar. Het [district] is met ingang van

1 januari 2001 opgeheven en samengevoegd met een aantal andere polderdistricten tot een nieuw te vormen waterschap, de rechtsvoorganger van het Waterschap Rivierenland. Op

23 maart 2001 is met appellant een beëindigingsregeling getroffen.

1.2.

Bij brief van 17 mei 2005, ontvangen bij het Waterschap Rivierenland op 23 mei 2005, heeft appellant het college verzocht om oversluiting van zijn hypothecaire geldlening tegen een lager rentepercentage. Bij besluit van 1 juni 2005 heeft het college dit verzoek afgewezen en daaraan ten grondslag gelegd dat de hypotheekregeling bij de harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden met ingang van 1 januari 2003 is komen te vervallen. Voorts voorziet de Financieringsregeling niet in tussentijdse wijzigingen van rentepercentages. Bij brief van

26 juli 2005 heeft appellant zijn onvrede geuit en het college te kennen gegeven op deze aangelegenheid terug te zullen komen.

2. Bij brief van 15 maart 2010 heeft appellant zijn verzoek van 17 mei 2005 herhaald en opnieuw verzocht om oversluiting van de bestaande hypotheek met ingang van 23 mei 2005. Bij besluit van 28 juli 2010 heeft het college dit verzoek afgewezen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 januari 2011 (bestreden besluit).

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de brief van appellant van 26 juli 2005 niet kan worden aangemerkt als een tegen het besluit van 1 juni 2005 gericht bezwaarschrift. De rechtbank stelt vast dat appellant dit niet had aangevoerd en ook niet dat de termijnoverschrijding het gevolg is van het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing onder dat besluit. Nu tegen het besluit van 1 juni 2005 geen bezwaar is gemaakt, staat dit besluit in rechte vast. Het verzoek van 15 maart 2010 dient te worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag waarop artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. Over de periode voorafgaand aan het verzoek van 15 maart 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangedragen. Over de periode vanaf 15 maart 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat het college na het vervallen van de Financieringsregeling met ingang van 1 januari 2003, het beleid voert dat een hypotheek kan worden overgesloten. De rechtbank heeft in haar oordeel betrokken de tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van 22 april 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM3643) waarin de Raad heeft geoordeeld dat het beleid van het college om ambtenaren geen nieuwe hypotheken te verstrekken of verhoging van een bestaande hypotheek te geven en de verstrekte hypotheken als sterfhuisconstructie in stand te laten, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van dit beleid had moeten afwijken.

4. Bij brief van 7 augustus 2012 heeft appellant het college verzocht om te beslissen op het bij brief van 26 juli 2005 gemaakte bezwaar. Bij brief van 22 augustus 2012 heeft het college appellant te kennen gegeven in afwachting van de uitspraak van de Raad het verzoek van appellant nog niet te behandelen. Het tegen deze brief door appellant ingestelde beroep van

31 augustus 2012 is door de rechtbank ter behandeling doorgezonden naar de Raad. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

5. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

5.1.

Met de rechtbank en onder verwijzing naar de in de aangevallen uitspraak gegeven overwegingen, is de Raad van oordeel dat het besluit van 1 juni 2005 in rechte vast staat. De brief van appellant van 26 juli 2005 is, gelet op de bewoordingen daarvan, niet een tegen dat besluit gericht bezwaarschrift. De rechtbank heeft het verzoek van 15 maart 2010 terecht opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 1 juni 2005. Dat volgens appellant sprake is van een hernieuwd verzoek en niet van een herhaald verzoek is bij de toepassing van artikel 4:6 van de Awb niet relevant.

5.2.

Op het verzoek van appellant van 15 maart 2010 heeft het college afwijzend beslist. Indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van dezelfde strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit in beginsel niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Bij een doorlopende aanspraak als hier aan de orde, moet voor de toetsing een splitsing worden aangebracht. Wat betreft de periode voorafgaande aan de aanvraag, dient de bestuursrechter zich te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar voor het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet voor dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het besluit worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd. Voor de periode vanaf de aanvraag moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toets plaatsvinden. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen.

5.3.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangedragen, zodat voor een inhoudelijke toetsing van het besluit van 5 maart 2010, voor zover dat de periode voorafgaand aan het verzoek betreft, geen plaats is. Wat betreft het tijdvak na de nieuwe aanvraag kon het college tot de bestreden afwijzing komen. De rechtbank heeft het bestreden besluit op juiste wijze getoetst en dit besluit onder verwijzing naar de overwegingen van de Raad in de tussen partijen gewezen uitspraak van 22 april 2010 terecht in stand gelaten.

5.4.

Het door appellant gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen die door het college ongelijk zijn behandeld.

5.5.

De Raad ziet voorts aanleiding om, gelet op de instemming daarmee van partijen en uit een oogpunt van proceseconomie en finale geschilbeslechting, het doorgezonden beroepschrift van appellant van 31 augustus 2012 te betrekken bij zijn oordeel. Hij overweegt daartoe het volgende. Uit het onder 5.1 overwogene volgt dat de brief van 26 juli 2005 niet kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 1 juni 2005. Dit betekent dat een op deze brief gegeven of nog te geven schriftelijke reactie van het college geen beslissing op bezwaar is. Het door appellant ingestelde beroep, gericht tegen de schriftelijke reactie van het college van 22 augustus 2012, dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5.6.

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Het beroep van 31 augustus 2012 zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.7.

Appellant heeft verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade. Dit verzoek wordt in verband met het overgangsrecht in artikel IV van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (31 januari 2013, Stb. 2013, 50) beoordeeld met toepassing van artikel 8:73 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht. Bij de toepassing van dit voorschrift kan alleen schade worden vergoed die het gevolg is van een vernietigd en dus onrechtmatig besluit. Van dergelijke schade is, gelet op wat hiervoor is overwogen, geen sprake. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep van 31 augustus 2012 niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2015.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD