Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4090

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2015
Datum publicatie
19-11-2015
Zaaknummer
14/6371 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van het besluit, waarbij aan appellant per 1 januari 2013 ontslag is verleend. Geen nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college hem onvolledig heeft geïnformeerd over zijn pensioenaanspraken. Er is geen relatie tussen het ontslag en de oprichting van de omgevingsdiensten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/6371 AW

Datum uitspraak: 5 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

6 oktober 2014, 14/3808 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van gedeputeerde zaken van Zuid-Holland (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. P.Y. Eikelenboom. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P. Hofkes en A.M.H. van Leeuwen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was vanaf 1 januari 1972 werkzaam bij de provincie Zuid-Holland. Bij brief van 30 september 2010 heeft appellant met gebruikmaking van het Sociaal Convenant van de provincie Zuid-Holland van 1 april 2008 (Sociaal Convenant) verzocht om hem FPU-ontslag te verlenen per 1 januari 2013. Het college heeft met dat verzoek ingestemd bij besluit van 25 oktober 2010. Vanaf 1 januari 2011 is appellant bovenformatief geplaatst en tot de ontslagdatum is hij werkzaamheden blijven verrichten. Tussen augustus 2012 en medio december 2012 heeft appellant met medewerkers van personeelszaken van de provincie gesproken over de hoogte van zijn ouderdomspensioen. Appellant heeft bij brieven van 19 december en 20 december 2012 verzocht om langer door te mogen werken na 31 december 2012, omdat zijn ouderdomspensioen minder zou bedragen dan hij had verwacht toen hij in 2010 om ontslag verzocht. Bij brief van 28 december 2012 heeft appellant zijn verzoek om langer door te mogen werken ingetrokken.

1.2.

Bij brieven van 20 maart en 28 juni 2013 heeft appellant het college verzocht om zijn ontslag per 1 januari 2013 te herzien en zijn aanstelling te laten herleven, om op die wijze zijn pensioen te verhogen. Het college heeft dat verzoek bij besluit van 15 oktober 2013 afgewezen.

1.3.

Bij een ongedateerd, op 3 april 2014 verzonden besluit (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 oktober 2013 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het ontslagbesluit van 25 oktober 2010 rechtens onaantastbaar is en dat aan het verzoek van appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd op grond waarvan dit besluit zou moeten worden herzien. Het college ziet daarnaast geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule, omdat geen sprake is van een bijzondere situatie.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd op de volgende gronden:

3.1.

Appellant heeft allereerst aangevoerd dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan de ontslagdatum zou moeten worden herzien. Hij heeft in de eerste plaats gesteld dat hij door het college onvolledig is geïnformeerd over zijn pensioenaanspraken. Pas in 2012 heeft hij de berekeningen van het pensioenfonds ontvangen waaruit hem duidelijk werd dat zijn pensioen minder dan 70% van zijn laatstverdiende loon bedroeg en dat indien hij na 1 januari 2013 zou hebben doorgewerkt, hij een hoger pensioen zou hebben ontvangen. In de tweede plaats heeft appellant gesteld dat de datum van het ontslag destijds, in 2010, was gerelateerd aan de instelling van omgevingsdiensten, welke omgevingsdiensten uiteindelijk pas na 31 december 2012 zijn ingesteld.

3.2.

Appellant heeft verder aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel is genomen. Hij heeft er in dat verband op gewezen dat het college in het geval van een collega het ontslagbesluit heeft ingetrokken en dat die collega in staat is gesteld terug te keren bij de provincie.

3.3.

Ten slotte heeft appellant zich beroepen op de hardheidsclausule.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, heeft het college het verzoek van appellant van 20 maart 2013 terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 25 oktober 2010, waarbij aan appellant per 1 januari 2013 ontslag is verleend.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 21 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AM3202) is op zo’n verzoek artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.3.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat, zoals hij heeft gesteld, het college hem onvolledig heeft geïnformeerd over zijn pensioenaanspraken. De enkele verwijzing naar de berekeningen die hij in 2012 van het pensioenfonds heeft ontvangen waaruit volgde dat zijn pensioenaanspraken lager uitvielen dan hij had verwacht zijn daarvoor onvoldoende. De rechtbank heeft er in dit verband terecht op gewezen dat appellant bij zijn aanvraag om ontslag heeft gemeld dat hij zich heeft gebaseerd op van het pensioenfonds verkregen gegevens en appellant zich niet op onwetendheid over zijn rechtspositie kan beroepen. Voorts komt uit de gedingstukken niet naar voren dat het college in 2010 aan appellant toezeggingen heeft gedaan of anderszins verwachtingen heeft gewekt over de hoogte van zijn pensioen op grond waarvan appellant een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel zou kunnen doen.

4.4.

Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat, zoals hij heeft gesteld, de datum van het ontslag destijds, in 2010, was gerelateerd aan de instelling van omgevingsdiensten. Uit de gedingstukken, in het bijzonder het besluit van 25 oktober 2010 blijkt niet dat de datum met ingang waarvan aan appellant ontslag is verleend, was gekoppeld aan het moment dat de omgevingsdiensten zouden worden opgericht. Evenmin kan uit het ontslagverzoek van appellant van 30 september 2010 worden afgeleid dat appellant heeft beoogd de datum van ontslag afhankelijk te stellen van het moment van inrichting van de omgevingsdiensten.

4.5.

Op grond van wat onder 4.3 en 4.4 is overwogen, treft de in 3.1 weergegeven beroepsgrond geen doel.

4.6.

Ook de onder 3.2 weergegeven beroepsgrond treft geen doel. Het geval van de collega is immers niet vergelijkbaar met dat van appellant. Van belang is in dit verband dat het college ter zitting van de Raad te kennen heeft gegeven dat bij de desbetreffende collega geen sprake is geweest van een terugkomen op een eerder ontslagbesluit, maar dat deze college na een periode van detachering weer bij de provincie is teruggekeerd. Appellant heeft deze stelling niet betwist.

4.7.

Het beroep op de hardheidsclausule slaagt evenmin. Wat appellant ter onderbouwing daarvan heeft aangevoerd behelst geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in 4.2.

4.8.

Op grond van wat is overwogen 4.3 tot en met 4.7 komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2015.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) J.L. Meijer

HD