Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4086

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
24-11-2015
Zaaknummer
15/3526 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand na opschorting. Appellante heeft niet de gevraagde gegevens overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/3526 WWB

Datum uitspraak: 17 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

10 april 2015, 14/3872 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.N. Hermans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2015. Namens appellante is verschenen mr. Hermans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Jans.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 5 september 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

In het kader van een heronderzoek heeft een casemanager, werkzaam bij het cluster Sociale Zaken van de gemeente Sittard-Geleen, appellante bij brief van 19 juni 2014 uitgenodigd voor een gesprek op 25 juni 2014, met medeneming van de in de brief genoemde gegevens.

1.3.

Bij besluit van 26 juni 2014 heeft het college de bijstand met ingang van 25 juni 2014 opgeschort op de grond dat appellante niet alle gevraagde gegevens heeft overgelegd. Daarbij is appellante in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 4 juli 2014 alsnog de gevraagde gegevens in te leveren.

1.4.

Bij besluit van 16 juli 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 november 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand met ingang van 25 juni 2014 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante niet alle gevraagde gegevens binnen de geboden hersteltermijn heeft overgelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 25 juni 2014 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.

4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.3.

Het college heeft appellante onder meer gevraagd om schriftelijk objectief en verifieerbaar bewijs waaruit blijkt door wie, wanneer, op welke wijze en van welk geld de wegenbelasting van de auto met kenteken 35-NF-SK vanaf 11 maart 2014 is betaald en op welke wijze appellante de vakantie met haar dochter naar Turkije (in juni 2014) heeft betaald. Niet in geschil is dat deze gegevens van belang zijn voor de verlening van bijstand. Voorts staat vast dat appellante heeft nagelaten de gevraagde gegevens tijdig te verstrekken.

4.4.

De beroepsgrond dat het appellante niet verweten kan worden dat zij de gevraagde gegevens omtrent de wegenbelasting niet heeft verstrekt, slaagt niet. Uit de door appellante overgelegde bankafschriften blijkt weliswaar dat zij op 28 april 2014 door middel van een acceptgiro twee betalingen aan de Belastingdienst heeft gedaan, maar uit het betalingskenmerk kan niet afgeleid worden of deze betalingen zien op overmaking van wegenbelasting. Het komt voor risico van appellante dat zij de bij de acceptgirokaarten behorende aanslagbiljetten niet meer kan overleggen omdat zij die niet heeft bewaard. De stelling dat de Belastingdienst weigert om betalingsbewijzen te verstrekken van de betaalde wegenbelasting, heeft appellante niet met bewijsstukken onderbouwd en kan om die reden geen doel treffen.

4.5.

De beroepsgrond dat het appellante niet kan worden verweten dat zij de persoonsgegevens van de vriend die de kosten van de vakantie in Turkije heeft voorgeschoten, niet tijdig heeft verstrekt, slaagt ook niet. De gestelde omstandigheid dat de vriend niet in de procedure betrokken wenste te worden en om die reden appellante tot voor kort geen toestemming heeft willen geven om zijn persoonsgegevens prijs te geven, komt voor risico van appellante. De eerst in hoger beroep overgelegde verklaring van die vriend moet daarom buiten beschouwing blijven. Appellante kan voorts niet worden gevolgd in haar betoog dat de identiteit van de persoon die haar het geld heeft geleend, niet relevant is. Zonder dat gegeven valt immers niet te controleren of daadwerkelijk sprake is geweest van een lening, zoals zij heeft gesteld. De stelling dat zij de kosten van de vakantie aan de vriend heeft terugbetaald door middel van een overboeking van de bankrekening van haar dochter naar haar eigen bankrekening, is evenmin te verifiëren, omdat uit de bankafschriften niet blijkt wat de reden is geweest van de overboeking. Daarbij komt dat het overgeboekte bedrag en het opgenomen bedrag niet met elkaar overeenstemmen en ook niet met het bedrag van de reissom.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54,

vierde lid, van de WWB is voldaan. Het college was daarom bevoegd de bijstand van appellante met ingang van 25 juni 2014 in te trekken.

4.7.

Gelet op 4.1 tot en met 4.6 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade dient daarom te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek tot veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2015.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C.M. Fleuren

HD