Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4080

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
14/3879 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking bijstand. Uit het verslag van het gesprek van 19 september 2013 blijkt ondubbelzinnig dat appellant uiteindelijk zijn toestemming voor een huisbezoek heeft geweigerd en dat hij in zijn weigering heeft volhard nadat één van de handhavingsmedewerkers had meegedeeld wat de gevolgen zijn van het weigeren van een huisbezoek. Appellant heeft ter zitting van de Raad bevestigd dat hij tijdens dit gesprek heeft begrepen wat een huisbezoek inhoudt en welke gevolgen de weigering van een huisbezoek zou kunnen hebben. In het betoog van appellant dat de hersteltermijn van vijf minuten, gelet op zijn Somalische afkomst en daardoor zijn wantrouwen jegens autoriteiten, te kort was, is geen grond te vinden voor het oordeel dat hij niet binnen de gegeven hersteltermijn zijn medewerking aan het huisbezoek kon verlenen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/409
RSV 2016/7
JWWB 2016/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3879 WWB

Datum uitspraak: 17 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

1 juli 2014, 13/4938 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Velsen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klaas. Tevens is M. Abdullahi, tolk in de Somalische taal, verschenen. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Aan appellant is met ingang van 14 december 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de Sociale Verzekeringsbank van 12 september 2013 dat [naam O] (O) sinds 28 juni 2013 op het adres van appellant stond ingeschreven en dat zij naast een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen ontving, heeft het college appellant bij brief van 12 september 2013 opgeroepen voor een gesprek op 19 september 2013.

1.3.

Op 19 september 2013 om 13.00 uur hebben handhavingsmedewerkers van de gemeente Velsen een gesprek met appellant gevoerd, waarbij appellant vanaf 13.30 uur is bijgestaan door een telefonische tolk. Om de woon- en leefsituatie van appellant te kunnen vaststellen hebben de medewerkers te kennen gegeven een huisbezoek te willen afleggen. Appellant heeft vervolgens wisselend verklaard of hij bereid was toestemming te verlenen voor een huisbezoek en uiteindelijk geweigerd zijn toestemming te verlenen en het ‘formulier huisbezoek’ niet getekend. Hierop hebben de medewerkers appellant meegedeeld dat hij een hersteltermijn van vijf minuten krijgt, wat dit inhoudt en wat de gevolgen zijn van het weigeren van een huisbezoek. Hierop heeft appellant in zijn weigering volhard.

1.4.

Bij besluit van 19 september 2013 heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 19 september 2013 opgeschort op de grond dat appellant heeft geweigerd mee te werken aan een huisbezoek. Daarbij heeft het college appellant vijf minuten in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. Dit besluit is door één van de handhavingsmedewerkers om 14.30 uur aan appellant uitgereikt.

1.5.

Na het verstrijken van de in 1.4 genoemde hersteltermijn hebben de medewerkers appellant wederom gevraagd of hij wil meewerken aan het huisbezoek. Appellant heeft dit geweigerd en om 14.45 uur de spreekkamer verlaten. De bevindingen van de handhavingsmedewerkers en het verloop en een verslag van het gesprek van 19 september 2013 zijn neergelegd in een rapport van 7 oktober 2013.

1.6.

Bij besluit van 26 september 2013 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 18 september 2013 ingetrokken op de grond dat hij geweigerd heeft mee te werken aan een huisbezoek. Bij besluit van 11 oktober 2013 heeft het college het besluit van

26 september 2013 gewijzigd, in die zin dat de datum met ingang waarvan het college de bijstand van appellant heeft ingetrokken wordt gewijzigd in 19 september 2013.

1.7.

Bij besluit van 19 november 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de opschorting van het recht op bijstand en de intrekking van de bijstand ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen melding heeft gemaakt van de inwoning van O vanaf 28 juni 2013. Appellant heeft geen medewerking verleend aan een huisbezoek. Hij heeft zowel het huisbezoek als het ondertekenen van een huisbezoekformulier geweigerd. Het ondertekenen van het huisbezoekformulier is een wezenlijk onderdeel van het toestemming geven voor het afleggen van een huisbezoek om elk misverstand over het huisbezoek en de gevolgen bij een weigering te voorkomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de WWB kan het bijstandverlenend orgaan het recht op bijstand opschorten indien de betrokkene de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, of indien de betrokkene anderszins onvoldoende medewerking verleent.

4.2.

. Niet in geschil is dat een redelijke grond aanwezig was voor het afleggen van een huisbezoek en dat het college terecht van appellant heeft gevraagd zijn medewerking hieraan te verlenen.

4.3.

De beroepsgrond dat appellant zijn medewerking aan het huisbezoek heeft verleend, slaagt niet. Uit het verslag van het gesprek van 19 september 2013 blijkt ondubbelzinnig dat appellant uiteindelijk zijn toestemming voor een huisbezoek heeft geweigerd en dat hij in zijn weigering heeft volhard nadat één van de handhavingsmedewerkers had meegedeeld wat de gevolgen zijn van het weigeren van een huisbezoek. Appellant heeft ter zitting van de Raad bevestigd dat hij tijdens dit gesprek heeft begrepen wat een huisbezoek inhoudt en welke gevolgen de weigering van een huisbezoek zou kunnen hebben.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat appellant onvoldoende medewerking heeft verleend en aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB is voldaan.

4.5.

De intrekking van de bijstand berust op artikel 54, vierde lid, van de WWB. Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of betrokkene verwijtbaar heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde hersteltermijn de gevraagde medewerking te verlenen of de gevraagde gegevens te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

4.6.

Vast staat dat appellant de gevraagde medewerking aan het huisbezoek niet binnen de in het opschortingsbesluit gestelde termijn heeft verleend.

4.7.

In het betoog van appellant dat de hersteltermijn van vijf minuten, gelet op zijn Somalische afkomst en daardoor zijn wantrouwen jegens autoriteiten, te kort was, is geen grond te vinden voor het oordeel dat hij niet binnen de gegeven hersteltermijn zijn medewerking aan het huisbezoek kon verlenen. Uit 4.3 volgt immers dat appellant heeft begrepen wat een huisbezoek inhoudt en hem duidelijk was dat toestemming werd gevraagd voor het onmiddellijk na afloop van het gesprek op 19 september 2013 afleggen van een huisbezoek. Dit betekent dat appellant van de weigering om binnen de hersteltermijn alsnog zijn medewerking te verlenen aan het huisbezoek een verwijt kan worden gemaakt. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is dan ook voldaan.

4.8.

Appellant heeft nog aangevoerd dat zijn gemachtigde kort na het verstrijken van de in het opschortingsbesluit genoemde termijn van vijf minuten zijn toestemming voor het huisbezoek per fax heeft verleend. Voor zover appellant hiermee heeft aangevoerd dat de gegeven hersteltermijn onredelijk kort was, slaagt deze grond niet. Uit 4.7 volgt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat van hem redelijkerwijs niet kon worden gevergd om binnen de gegeven termijn de gevraagde medewerking te verlenen. Daarbij heeft de rechtbank bovendien terecht gewicht toegekend aan de noodzaak om het huisbezoek onmiddellijk en aansluitend aan het gesprek af te leggen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2445) komt in het algemeen groot gewicht toe aan het belang van een bijstandverlenend orgaan om - zo nodig - onmiddellijk een huisbezoek af te leggen teneinde een door betrokkene opgegeven woonsituatie te verifiëren. De reden daarvan is dat anders de mogelijkheid bestaat dat in die woonsituatie tussentijds wijziging wordt aangebracht, waardoor dit controlemiddel sterk aan effectiviteit inboet. Nu geen zwaarwegende redenen bestaan op grond waarvan appellant niet binnen de gegeven termijn zijn medewerking aan het huisbezoek kon verlenen, bestond geen aanleiding voor het bieden van een ruimere hersteltermijn of in te gaan op de per faxbericht alsnog verleende toestemming. Met de na het verstrijken van de gegeven hersteltermijn alsnog verleende toestemming voor een huisbezoek heeft appellant het verzuim dan ook niet tijdig hersteld.

4.9.

Uit 4.3 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en J.F. Bandringa en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD