Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4074

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
14/3737 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering in verband met naderhand verkregen middelen. Het ten onrechte niet verrekenen van de ZW-uitkering ziet niet op de terugvordering van de bijstandsuitkering.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/408

Uitspraak

14/3737 WWB

Datum uitspraak: 17 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 mei 2014, 14/264 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2015. Namens appellant is verschenen mr. Hest. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Op 19 maart 2012 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de ZW-uitkering van appellant beëindigd.

1.2.

Bij besluit van 17 september 2012 heeft het college aan appellant met terugwerkende kracht met ingang van 18 juni 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) verleend.

1.3.

Bij besluit van 4 februari 2013 heeft het college aan appellant met terugwerkende kracht met ingang van 19 maart 2012 bijstand verleend. Dit heeft op 14 februari 2013 geleid tot een nabetaling van bijstand over de periode van 19 maart 2012 tot 18 juni 2012 tot een bedrag van € 3.513,75, in mei 2013 vermeerderd met vakantiegeld tot een bedrag van € 37,87.

1.4.

Bij besluit van 30 mei 2013 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant met ingang van 19 maart 2012 hervat. In een door het Uwv aan appellant op 13 juni 2013 toegezonden betalingsspecificatie staat dat het aan appellant netto uit te keren bedrag aan ZW-uitkering over de periode van 19 maart 2012 tot en met 17 juni 2012 € 4.529,72 bedraagt. Op 17 juni 2013 heeft het Uwv dit bedrag op de bankrekening van appellant overgemaakt.

1.5.

Bij besluit van 5 augustus 2013 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 19 maart 2012 ingetrokken op de grond dat appellant vanaf deze datum ZW-uitkering heeft ontvangen. Daarbij is meegedeeld dat de bijstand die appellant teveel heeft ontvangen, zal worden teruggevorderd. Daarbij heeft het college erop gewezen dat de bijstand over de periode van 18 juni 2012 tot en met 31 mei 2013 reeds is verrekend met de ZW-uitkering en dus niet zal worden teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 27 augustus 2013 heeft het college met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB de kosten van bijstand over de periode van

19 maart 2012 tot en met 17 juni 2012 (periode in geding) inclusief vakantiegeld tot een bedrag van € 3.551,62 van appellant teruggevorderd.

1.7.

Bij besluit van 17 december 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 5 augustus 2013 en 27 augustus 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het bedrag van € 3.551,62 niet van hem mag worden teruggevorderd. Het college heeft een fout gemaakt en daarmee onzorgvuldig gehandeld door niet de gehele vordering op appellant, die ontstond door de toekenning van ZW-uitkering per 19 maart 2012, aan het Uwv op te geven om te verrekenen met die uitkering, maar slechts een deel daarvan, te weten de vordering over de periode van 18 juni 2012 tot en met 31 mei 2013. Appellant mocht erop vertrouwen dat de verrekening volledig had plaatsgevonden en dat hij de nabetaling van het Uwv mocht behouden. Het achteraf terugvorderen van het restantbedrag aan bijstand, dat blijkbaar ten onrechte niet is verrekend, is in strijd met het vertrouwensbeginsel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de WWB beschikt of kan beschikken. Aan deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd, hangt samen met het aanvullend karakter van de bijstand. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB biedt dan ook een terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar de betrokkene daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan beschikken. Zodra de betrokkene over die middelen kan beschikken, kan het bijstandverlenend orgaan tot terugvordering overgaan.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 27 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3358) bestaat in geval van toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB geen wettelijke basis voor een voorafgaand herzienings- of intrekkingsbesluit. In de situatie waarop deze bepaling ziet is namelijk geen sprake van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand.

4.3.

Vast staat dat appellant op 17 juni 2013 de beschikking heeft gekregen over een

ZW-uitkering over de periode in geding. Daarmee was sprake van in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB met betrekking tot een periode waarover eerder bijstand is verleend. Hieruit vloeit voort dat het college aan de genoemde bepaling de bevoegdheid kon ontlenen om over de periode in geding tot terugvordering over te gaan.

4.4.

De beroepsgrond dat het college heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel slaagt niet. Uit het dossier blijkt dat er in het contact tussen het Uwv en de gemeente Eindhoven op 6 juni 2013 is geconcludeerd dat verrekening moet plaatsvinden over de periode van 18 juni 2012 tot en met 31 mei 2013. Naderhand is geconstateerd dat ook over de periode in geding de verstrekte bijstand en toegekende

ZW-uitkering hadden moeten worden verrekend. Indien en voor zover hierbij sprake is geweest van onzorgvuldigheid van het college, dan ziet die onzorgvuldigheid op de verrekening, die niet volledig heeft plaatsgevonden, en niet op de terugvordering. Ook al zou het mogelijk zijn geweest de over de periode in geding verstrekte bijstand en toegekende

ZW-uitkering in de verrekening te betrekken, dan laat dit onverlet dat de ZW-uitkering rechtstreeks en bovenop de nabetaalde bijstand aan appellant is uitbetaald, zodat appellant over deze periode te veel bijstand heeft ontvangen. De beschikbare gegevens bieden geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het college bij de terugvordering van de teveel verstrekte bijstand onzorgvuldig heeft gehandeld.

4.5.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Zoals de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad heeft erkend, is van de zijde van het college geen toezegging gedaan dat de nabetaalde bijstand over de periode in geding, ondanks de nabetaling van het Uwv over dezelfde periode, niet van appellant zou worden teruggevorderd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dus niet. Overigens had appellant, gelet op de in 1.4 genoemde betalingsspecificatie, in combinatie met de hoogte van de nabetaling van het Uwv op 17 juni 2013, kunnen en moeten weten dat de verstrekte bijstand over de periode in geding niet was verrekend met de over die periode toegekende ZW-uitkering.

4.6.

Uit de in 4.2 genoemde rechtspraak volgt dat het college niet bevoegd was de bijstand van appellant over de periode in geding in te trekken. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit, voor zover daarbij de intrekking van de bijstand over de periode in geding is gehandhaafd, vernietigen wegens strijd met de wet. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 5 augustus 2013 te herroepen voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode in geding.

5. Appellant heeft verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade, bestaande uit wettelijke rente. Aangezien de terugvordering in stand blijft, zal het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade worden afgewezen.

6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 490,- in bezwaar, op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, en op € 12,40 voor reiskosten in eerste aanleg, in totaal dus € 2.462,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 december 2013 voor zover

daarbij de intrekking van de bijstand over de periode van 19 maart 2012 tot en met 17 juni

2012 is gehandhaafd;

- herroept het besluit van 5 augustus 2013 voor zover dat ziet op de intrekking over de periode

van 19 maart 2012 tot en met 17 juni 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 17 december 2013;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.462,50;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2015.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) B. Fotchind

HD