Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4073

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
14/3876 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag. Onduidelijke woonsituatie. Appellant heeft wisselende en onvolledige inlichtingen verschaft over zijn woonsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3876 WWB

Datum uitspraak: 17 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
28 mei 2014, 13/4982 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. van den Os hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2015. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet ter zitting verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Dekker-Koenders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 10 juni 2013 gemeld voor het aanvragen van bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 25 juni 2013 heeft een intakegesprek plaatsgevonden en heeft appellant de aanvraag ingediend. Daarbij heeft appellant als adres opgegeven [adres 1] te [woonplaats] (adres 1). Tijdens het intakegesprek heeft appellant verklaard dat hij niet verblijft op dat adres, maar op verschillende andere adressen in [woonplaats] en [plaatsnaam 1] , waaronder regelmatig op het adres van zijn ex-partner [adres 2] te [woonplaats] (adres 2). Op 27 juni 2013 heeft appellant adressen in [woonplaats] en [plaatsnaam 2] opgegeven, waar hij in de periode van 10 juni 2013 tot en met

23 juni 2013 de nacht heeft doorgebracht. Appellant heeft daarbij geen adres in [plaatsnaam 1] opgegeven.

1.2.

De Afdeling handhaving van de gemeente [woonplaats] heeft een onderzoek ingesteld naar de woon- en verblijfssituatie van appellant. Op 2 juli 2013 is een huisbezoek afgelegd op adres 1. Appellant is daar niet aangetroffen, waarna een huisbezoek op adres 2 is afgelegd. Appellant was op dit adres aanwezig en heeft tijdens dat huisbezoek, voor zover van belang, verklaard dat hij vaak verblijft op adres 2, dat hij in [plaatsnaam 1] op het Mercatorplein ook een verblijfsadres heeft, dat hij het precieze adres niet weet, maar wel de sleutel van de woning op dat adres heeft en dat hij de laatste drie weken in [plaatsnaam 1] en bij zijn ex-partner slaapt.

1.3.

Bij besluit van 4 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 oktober 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant tegenstrijdige en onvolledige inlichtingen heeft verstrekt over zijn verblijfadressen en dat daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden en dat hij de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, waardoor hij niet alle hem gestelde vragen goed heeft begrepen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 10 juni 2013 (datum melding) tot en met 4 juli 2013 (datum afwijzingsbesluit).

4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Voor een juiste toepassing van de WWB is het van essentieel belang dat duidelijkheid bestaat over de woon- en verblijfplaats van de belanghebbende. In een aanvraagsituatie ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de belanghebbende niet aan de wettelijke inlichtingen- en medewerkingsverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Uit 1.1 en 1.2 volgt dat appellant, anders dan aangevoerd, wisselende en onvolledige inlichtingen heeft verschaft over zijn woonsituatie. Dat appellant de Nederlandse taal niet geheel machtig is en dat hij daardoor de hem gestelde vragen niet goed heeft begrepen, zoals eerst in hoger beroep gesteld, is niet aannemelijk. Appellant heeft bij diverse gelegenheden, zoals het intakegesprek, de hoorzitting in bezwaar en ter zitting bij de rechtbank, zonder hulp van een tolk verklaringen afgelegd en daarbij is niet gebleken dat hij de Nederlandse taal niet voldoende beheerst of dat hij aan hem gerichte vragen niet begreep. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant de op hem rustende wettelijke

inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden. Als gevolg hiervan is de woonsituatie van appellant onduidelijk gebleven, waardoor het recht op bijstand in de hier te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2015.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) B. Fotchind

HD