Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4072

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
14/1324 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Voldoende feitelijke grondslag voor wederzijdse zorg. Appellante kan worden gehouden aan haar verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/1324 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

30 januari 2014, 13/2177 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.Th.H.M.J. Aarts, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben (aanvullende) stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2015, gevoegd met de zaak 14/1403 WWB van [naam H] (H). Voor appellante, daartoe ambtshalve opgeroepen, is mr. Aarts verschenen. Het college, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Bloemena. In de zaak 14/1403 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft vanaf 30 oktober 2001 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder, verhoogd met een toeslag.

1.2.

Appellante woont vanaf 29 april 1998 op het adres [adres 1] in [woonplaats] (uitkeringsadres). Appellante heeft in maart 2009 haar klantmanager bij de afdeling

Zorg & Inkomen van de gemeente Nijmegen (afdeling) geïnformeerd dat H op haar huis past en haar dieren verzorgt in de perioden waarin zij in het ziekenhuis is opgenomen en een daartoe strekkende, door beiden ondertekende verklaring ingeleverd. In februari 2010 heeft de klantmanager vastgesteld dat H vanaf 31 maart 2009 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie personen) op het uitkeringsadres staat geregistreerd. Tijdens een voortgangsgesprek op 18 februari 2010 heeft appellante verklaard dat zij dit heeft gedaan om H te helpen, dat hij niet op haar adres woont en op dat adres alleen verblijft bij haar afwezigheid tijdens ziekenhuisopnames. Op 8 maart 2010 heeft appellante haar klantmanager schriftelijk bericht dat H met ingang van 12 maart 2010 bij haar een kamer huurt, waarvan de huurprijs gelijk is aan de verlaging van de toeslag op de bijstandsnorm. De toeslag is met ingang van 1 maart 2010 verlaagd van 20% naar 10%. De klantmanager heeft in april 2010 een fraudemeldingsformulier opgesteld en verzonden omdat de inschrijving van H op het uitkeringsadres in de GBA met ingang van 31 maart 2009 niet in overeenstemming is met de verklaring van appellante dat H eerst vanaf 12 maart 2010 bij haar een kamer huurt.

1.3.

Op basis van deze fraudemelding en een melding die in november 2009 via de Belastingdienst was binnengekomen dat de vriend van appellante elders staat ingeschreven, maar permanent bij haar woont, heeft een fraudepreventiemedewerker van de afdeling een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Dit onderzoek heeft onder meer bestaan uit dossieronderzoek, een huisbezoek aan de woning van appellante op 11 april 2011, enkele waarnemingen bij de woning van appellante en het opvragen van bankgegevens en gegevens bij telecombedrijven. De resultaten van dit onderzoek, die zijn neergelegd in een rapport van 7 november 2011, vormden aanleiding om de zaak over te dragen aan de sociale recherche van de afdeling, bureau Handhaving van de gemeente Nijmegen (sociale recherche) voor nader onderzoek. De sociale recherche heeft vervolgens onder meer gegevens opgevraagd bij camping [naam camping] te [plaatsnaam 1] (camping), de voormalige eigenaar en de nieuwe beheerder van die camping gehoord, een buurtonderzoek verricht, [naam R] ( [R] ), bewoner van het adres [adres 2] in [plaatsnaam 2] (adres D), gehoord en appellante en H op 24 mei 2012 elk tweemaal verhoord. De bevindingen van het onderzoek door de sociale recherche zijn neergelegd in een rapport van 31 mei 2012.

1.4.

Op basis van deze onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 4 juni 2012 de bijstand van appellante met ingang van 20 september 2005 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 20 september 2005 tot 1 mei 2012 tot een bedrag van € 98.748,12 van appellante teruggevorderd op de grond dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen opgave te doen van het feit dat zij met H een gezamenlijke huishouding voert. Het college heeft genoemd bedrag mede van H teruggevorderd. Bij besluit van 27 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 juni 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college in het bestreden besluit niet is ingegaan op door appellante aangevoerde bezwaargronden, waaronder het ontbreken van informed consent voor het afgelegde huisbezoek op 11 april 2011, waardoor dit besluit op dit punt ondeugdelijk is gemotiveerd. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat met dit huisbezoek een inbreuk is gemaakt op het huisrecht van appellante, dit huisbezoek daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt en de bevindingen daarvan buiten beschouwing moeten blijven. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de overige onderzoeksbevindingen voldoende grond bieden om aan te nemen dat appellante en H in de periode in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en zij heeft daarbij bijzondere betekenis gehecht aan de verklaringen die appellante, H en [R] tegenover de sociale recherche hebben afgelegd.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 20 september 2005 tot en met 4 juni 2012, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van WWB wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het derde lid van dit artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.4.

Als meest verstrekkende beroepsgrond heeft appellante aangevoerd dat het ingestelde onderzoek onrechtmatig was en dat om die reden de onderzoeksbevindingen buiten beschouwing moeten worden gelaten. De melding van appellante aan de klantmanager dat zij een kostganger had, is onvoldoende voor een dergelijk onderzoek, terwijl in de anonieme melding via de Belastingdienst dat de vriend van appellante elders staat ingeschreven, maar permanent bij haar woont, allerlei fouten staan en daarom ook geen grond kan bieden voor een onderzoek. Voorts bestond na het onderzoek in maart 2010, dat geleid heeft tot de korting van de toeslag, geen reden voor een nieuw dan wel nader onderzoek naar de woonsituatie van appellante.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 53a van de WWB, zoals van toepassing ten tijde hier van belang, is het college bevoegd een onderzoek in te stellen naar de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de bijstand. Gelet hierop valt niet in te zien dat het college niet op enig moment een onderzoek mocht instellen naar de feitelijke woon- en leefsituatie van appellante, nog daargelaten dat in dit geval voor het college aanleiding bestond voor een dergelijk onderzoek, namelijk de interne fraudemelding van een vermeende tegenstrijdigheid tussen de datum van inschrijving van H op het uitkeringsadres en de ingangsdatum van de opgegeven huurrelatie. Anders dan appellante stelt, volgt uit artikel 53a van de WWB bovendien niet dat het college alleen dan bevoegd zou zijn geweest een onderzoek in te stellen naar de woon- en leefsituatie van appellante, indien en voor zover sprake zou zijn geweest van nieuwe feiten en omstandigheden die zich na het onderzoek in 2010 hebben voorgedaan.

4.6.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat tijdens haar verhoren continu sprake was van ongeoorloofde druk en intimidatie. Zo is tijdens het verhoor gezegd dat als zij gebruik wenste te maken van een advocaat het verhoor wel dagen kon duren. Appellante wilde zo snel mogelijk naar huis omdat zij zich niet op haar gemak voelde, maar ook omdat zij zich ernstig zorgen maakte om haar kinderen die hun moeder afgevoerd hebben zien worden door de sociale recherche. Het verhoor heeft appellante als intimiderend ervaren en daarover heeft zij nog steeds nachtmerries. Appellante is duidelijk gemaakt dat ze naar huis mocht als ze de verklaring zou ondertekenen. Omdat zij niet beschikte over haar leesbril kon appellante de verklaring zelf niet lezen. Bovendien was zij zo angstig, in paniek en aan het hyperventileren dat zij daartoe waarschijnlijk niet in staat was. Van de voorlezing van de verklaring heeft appellante niets meegekregen. Zij heeft blind getekend opdat zij naar huis en naar haar kinderen kon. Voorts heeft appellante gewezen op ingebrachte stukken waaruit blijkt dat zij niet alleen lijdt aan een bipolaire stoornis, maar ook aan een gegeneraliseerde angststoornis en dat de angstklachten soms kunnen leiden tot paniekklachten. Bovendien is appellante verkeerd geïnformeerd over wat het begrip gezamenlijke huishouding inhoudt en heeft zij om die reden onder valse voorwendselen verklaard. Naar de mening van appellante dient haar verklaring daarom als onrechtmatig te worden aangemerkt en buiten beschouwing te blijven.

4.7.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan dat een uitzondering moet worden gemaakt op het algemene uitgangspunt dat een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring mag worden gehouden. Uit de verslagen, waarin de gestelde vragen en de door appellante gegeven antwoorden zijn opgenomen, kan niet worden afgeleid dat tijdens de beide verhoren ontoelaatbare druk is uitgeoefend of dat appellante in paniek en aan het hyperventileren was. Tijdens het eerste verhoor heeft appellante melding gemaakt van haar gezondheidsklachten, gebruikte medicatie en ziekenhuisopnames, maar niet dat haar gezondheidstoestand een beletsel vormde voor een verhoor. Dit blijkt ook niet uit de verslagen. Uit het in hoger beroep ingezonden huisartsenjournaal blijkt dat appellante zich op of na 24 mei 2012 niet tot de huisarts heeft gewend met gezondheidsklachten als gevolg van het verhoor. Dat appellante vanwege haar bipolaire stoornis en angstklachten de druk van een verhoor bij de sociale recherche zwaarder zal hebben ervaren dan een persoon zonder die klachten, zoals huisarts

J. Stoppels in zijn brief van 24 september 2015 heeft gemeld, is ontoereikend om appellante niet te houden aan haar verklaring. Voorts heeft appellante geen klacht ingediend over de wijze waarop het verhoor heeft plaatsgevonden. Appellante heeft gedetailleerd antwoord gegeven op feitelijke vragen over haar relatie met H, terwijl eerst aan het slot van de beide verhoren het begrip gezamenlijke huishouding ter sprake is gekomen. Dat appellante over dat begrip onjuist is voorgelicht en zij de verklaring om die reden onder valse voorwendselen heeft afgelegd heeft zij, wat daarvan ook zij, niet aannemelijk gemaakt.

4.8.

Appellante betwist dat in de periode van 20 september 2005 tot 12 maart 2009 sprake was van een gezamenlijke huishouding en voert aan dat het college volstrekt onvoldoende heeft aangetoond dat voldaan is aan de voorwaarden van hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse zorg. Ten aanzien van de periode van 12 maart 2009 tot 1 mei 2012 stelt appellante zich op het standpunt dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat zij aan het college heeft doorgegeven dat een man bij haar een kamer huurt en haar helpt. Het dient voor rekening en risico van het college te komen als zij dat niet direct heeft onderzocht. Bovendien heeft in 2010 een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellante plaatsgevonden, wat geleid heeft tot een korting op de toeslag. Ter zitting van de Raad is aangevoerd dat geen sprake was van wederzijdse zorg, maar van eenzijdige zorg omdat H vanwege de gezondheidstoestand van appellante voor haar zorgde.

4.9.

Anders dan appellante meent, is de rechtbank op goede gronden tot de conclusie gekomen dat de onderzoeksbevindingen, ook zonder de resultaten van het huisbezoek in

april 2011, voldoende grond opleveren voor het oordeel dat appellante en H in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Tijdens zijn verhoor heeft H meermalen verklaard dat hij, appellante en haar dochters vanaf 2005 verbleven op het uitkeringsadres dan wel op de camping waar hij sinds medio 2005 een caravan heeft. Ook heeft H verklaard dat zijn inschrijving in de GBA van 20 september 2005 tot en met

31 maart 2009 op adres D feitelijk niet klopt, omdat hij toen al zijn hoofdverblijf had bij appellante. [R] heeft op 24 mei 2012 tegenover de sociale recherche verklaard dat H op adres D heeft gewoond totdat hij bij appellante ging wonen en dat hij alle spullen heeft meegenomen toen hij is vertrokken. Voorts heeft [R] verklaard dat H in de periode van

20 september 2005 tot en met 31 maart 2009 stond ingeschreven op adres D, maar dat dit een postadres was. De woning van [R] werd toen verbouwd en ze hebben toen nog een kamer gemaakt voor het geval H zou terugkomen, maar dat is niet nodig geweest. H heeft, na confrontatie met de verklaring van [R] , erkend dat diens verklaring juist is. De verklaringen van appellante tijdens haar verhoor over de aanvang van het hoofdverblijf van H in haar woning, zijn niet eenduidig, maar daaruit kan in ieder geval wel worden afgeleid dat die datum ruimschoots vóór maart 2009 ligt. Zo heeft appellante eerst verklaard dat circa

vier á vijf jaar geleden is besloten dat H bij haar kwam wonen. Na confrontatie met de verklaring van H dat hij in 2005 bij appellante is komen wonen, heeft appellante in eerste instantie volstaan met de reactie dat zij daarop niets heeft te zeggen. Op de vraag of het klopt dat, zoals H heeft verklaard, hij sinds zeven jaar bij haar woont, heeft appellante vervolgens geantwoord dat zij dat niet weet omdat zij geen jaartallen kan onthouden, maar dat hij sinds de tijd dat hij de standplaats heeft op de camping al bij haar woont. Uit de gedingstukken, waaronder het inschrijfformulier van de camping en zes betalingsbewijzen voor de seizoenen 2005/2006 tot en met 2010/2011, blijkt dat H vanaf medio 2005 een standplaats op de camping huurt. Bovendien heeft een buurtbewoonster van appellante verklaard dat H vanaf midden of eind 2005 bij appellante woont. Aan de omstandigheid dat [R] in zijn schriftelijke verklaring van 2 april 2014 tot op zekere hoogte is teruggekomen van de verklaring die hij in mei 2012 tegenover de sociale recherche heeft afgelegd, kan niet de betekenis worden toegekend die appellante daaraan hecht. [R] heeft na voorlezing van de verklaring tegenover de sociale recherche volhard en die ondertekend. Voorts houdt zijn nieuwe lezing in dat H van 20 september 2005 tot en met 31 maart 2009 met enige regelmaat zo’n een á twee keer per week in zijn kamer sliep. Daargelaten dat die verklaring niet overeenkomt met zijn verklaring tegenover de sociale recherche, die door H bovendien is bevestigd, blijkt uit de nieuwe verklaring in ieder geval dat H in de genoemde periode niet zijn hoofdverblijf had op adres D.

4.10.

De verklaringen van appellante en H bieden voorts voldoende feitelijke grondslag voor het aannemen van wederzijdse zorg. H helpt met de (zware) boodschappen, zorgt wel eens voor de tuin en de honden van appellante, hij betaalt vaste lasten, zoals voor de televisie, het internet en de telefoon, heeft gezorgd voor (vervanging van) de televisie, de wasmachine en het bankstel in de woning van appellante, terwijl appellante en haar dochters met H

gebruikmaken van zijn caravan op de camping, waarvoor hij de huur van de standplaats voor zijn rekening neemt. Gelet op het verhandelde ter zitting is overigens niet langer in geschil dat H in verband met de gezondheidstoestand van appellante zorg verleende aan appellante. Dat louter sprake was van eenzijdige zorg is niet aannemelijk. Zo verleent appellante aan H onderdak. H heeft verklaard dat appellante ook dingen voor hem doet, zoals de was en de strijk. Als hij op tijd thuis is eet hij mee, terwijl appellante thuis meestal kookt, aldus H. Appellante heeft verklaard dat zij de was van H doet als het zo uitkomt, maar ontkende strijkwerk te doen. H eet mee als het zo uitkomt en zij kookt, aldus appellante. Voorts heeft appellante verklaard dat zij meestal de boodschappen doet met de fiets en dat H haar wel eens helpt bij zwaardere boodschappen als hij er is. In reactie op de verklaring van H dat hij de boodschappen verzorgt en appellante het huishouden doet, heeft appellante verklaard dat dit niet klopt en heeft zij herhaald dat zij ook boodschappen op de fiets doet en H wel eens boodschappen doet met zijn auto. Uit deze verklaringen volgt dat van eenzijdige zorg van de zijde van H geen sprake is. Daarbij is van belang dat voor het aannemen van wederzijdse zorg niet noodzakelijk is dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft.

4.11.

Uit 4.9 en 4.10 volgt tevens dat de stelling van appellante dat zij op enig moment in de te boordelen periode het college volledig en juist heeft geïnformeerd over haar woon- en leefsituatie en dat vanaf dat moment geen sprake kan zijn van een schending van de inlichtingenverplichting, geen stand kan houden. De mededelingen van appellante aan haar klantmanager in maart 2009 en februari 2010 dat H op haar huis past en haar dieren verzorgt in de perioden waarin zij in het ziekenhuis was opgenomen onderscheidenlijk dat hij niet op haar adres woont en alleen in haar woning verblijft als zij is opgenomen in het ziekenhuis, waren niet juist. Ook de opgave van appellante dat H vanaf maart 2010 bij haar een kamer huurt is onmiskenbaar onjuist, omdat H in materieel en immaterieel opzicht zorg aan appellante verleent die de grenzen van een zakelijke huur- dan wel kostgangersrelatie ver te boven gaat. De stelling van appellante dat het college in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bijstand gebruik had kunnen maken omdat zoveel mis is gegaan van de zijde van het college, miskent dat appellante met de door haar en H ondertekende overeenkomst van maart 2009 en de door beiden ondertekende “kamerhuurderverklaring” van 8 maart 2010 geen juiste en volledige openheid heeft verstrekt aan het college.

4.12.

Tegen de terugvordering van bijstand heeft appellante aangevoerd dat het college overeenkomstig de Beleidsregels Terug- en Invordering Wet werk en bijstand 2013 dan wel op grond van dringende redenen daarvan geheel of gedeeltelijk had moeten afzien. Het beroep op de beleidsregels van het college kan niet slagen, reeds omdat op basis daarvan niet wordt afgezien van terugvordering als, zoals in dit geval, de inlichtingenverplichting is geschonden. Om die reden kan ook het beroep van appellante op de zogeheten zesmaandenjurisprudentie niet slagen. Het beroep op de uitspraak van 6 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM1920, leidt niet tot een ander oordeel, omdat eerst na afronding van het onderzoek door de sociale recherche in mei 2012 voor het college vaststond dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden. Dringende redenen bij terugvordering van bijstand kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Appellante heeft aangevoerd dat de terugvordering voor haar onaanvaardbare gevolgen heeft omdat die ertoe leidt dat zij haar leven lang in de schulden zit, wat tot stress leidt, wat vervolgens tot gevolg heeft dat zij meer last heeft van haar bipolaire stoornis, wat tevens ernstige gevolgen heeft voor haar kinderen. Appellante heeft evenwel geen enkele medische onderbouwing geleverd dat de terugvordering leidt tot de gevolgen die zij heeft geschetst. De verklaring van huisarts Schoffels van 24 september 2015 ziet daar niet op en ook uit het ingezonden huisartsenjournaal en de stukken van het Centrum Indicatiestelling Zorg kan dit niet worden afgeleid. De financiële gevolgen van de schending van de inlichtingenverplichting door appellante dienen daarom voor haar rekening te blijven. Bovendien heeft een belanghebbende als schuldenaar bescherming van de regels inzake de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.13.

Uit 4.1 tot en met 4.12 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en J.F. Bandringa en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) M.S. Boomhouwer

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD