Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4071

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
24-11-2015
Zaaknummer
14/1403 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstand. Verzwegen gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1403 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

30 januari 2014, 13/2089 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.F. Nijhuis, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2015, gevoegd met de zaak 14/1324 WWB van [naam S.] (S). Appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. Nijhuis. Het college, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Bloemena. In de zaak

14/1324 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

S heeft vanaf 30 oktober 2001 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder, verhoogd met een toeslag.

1.2.

S woont vanaf 29 april 1998 op het adres [adres 1] in [woonplaats] (uitkeringsadres). S heeft in maart 2009 haar klantmanager bij de afdeling Zorg & Inkomen van de gemeente Nijmegen (afdeling) geïnformeerd dat appellant op haar huis past en haar dieren verzorgt in de perioden waarin zij in het ziekenhuis is opgenomen en een daartoe strekkende, door beiden ondertekende verklaring ingeleverd. In februari 2010 heeft de klantmanager vastgesteld dat appellant vanaf 31 maart 2009 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie personen) op het uitkeringsadres staat geregistreerd. Tijdens een voortgangsgesprek op 18 februari 2010 heeft S verklaard dat zij dit heeft gedaan om appellant te helpen, dat hij niet op haar adres woont en op dat adres alleen verblijft bij haar afwezigheid tijdens ziekenhuisopnames. Op 8 maart 2010 heeft S haar klantmanager schriftelijk bericht dat appellant met ingang van 12 maart 2010 bij haar een kamer huurt, waarvan de huurprijs gelijk is aan de verlaging van de toeslag op de bijstandsnorm. De toeslag is met ingang van 1 maart 2010 verlaagd van 20% naar 10%. De klantmanager heeft in april 2010 een fraudemeldingsformulier opgesteld en verzonden omdat de inschrijving van appellant op het uitkeringsadres in de GBA met ingang van 31 maart 2009 niet in overeenstemming is met de verklaring van S dat appellant eerst vanaf 12 maart 2010 bij haar een kamer huurt.

1.3.

Op basis van deze fraudemelding en een melding die in november 2009 via de Belastingdienst was binnengekomen dat de vriend van S elders staat ingeschreven, maar permanent bij haar woont, heeft een fraudepreventiemedewerker van de afdeling een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan S verleende bijstand. Dit onderzoek heeft onder meer bestaan uit dossieronderzoek, een huisbezoek aan de woning van S op

11 april 2011, enkele waarnemingen bij de woning van S en het opvragen van bankgegevens en gegevens bij telecombedrijven. De resultaten van dit onderzoek, die zijn neergelegd in een rapport van 7 november 2011, vormden aanleiding om de zaak over te dragen aan de sociale recherche van de afdeling, bureau Handhaving van de gemeente Nijmegen (sociale recherche) voor nader onderzoek. De sociale recherche heeft vervolgens onder meer gegevens opgevraagd bij camping [naam camping] te [plaatsnaam 1] , de voormalige eigenaar en de nieuwe beheerder van die camping gehoord, een buurtonderzoek verricht, [naam R.] ( [R] ), bewoner van het adres [adres 2] in [plaatsnaam 2] , gehoord en appellant en S op 24 mei 2012 elk tweemaal verhoord. De bevindingen van het onderzoek door de sociale recherche zijn neergelegd in een rapport van 31 mei 2012.

1.4.

Op basis van deze onderzoeksbevindingen heeft het college de bijstand van S met ingang van 20 september 2005 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 20 september 2005 tot 1 mei 2012 tot een bedrag van € 98.748,12 van S teruggevorderd op de grond dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen opgave te doen van het feit dat zij en appellant een gezamenlijke huishouding voeren. Bij besluit van 4 juni 2012 heeft het college onder toepassing van artikel 59 van de WWB genoemd bedrag mede van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 1 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 juni 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant betwist dat hij met S een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Hij huurde enkel een kamer bij S, die hij zelf schoon hield, en hij deed zijn eigen was en boodschappen. Volgens hem was sprake van een commerciële kostgangersrelatie. Voorts bestrijdt appellant, met een beroep op de verklaring van [R] van 2 april 2014, dat hij in de periode vóór 31 maart 2009 hoofdverblijf had in de woning van S. Evenmin is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Appellant stelt zich daarnaast op het standpunt dat de terugvordering onnodig hoog is opgelopen omdat het college vanaf maart 2009 op de hoogte was van de woon- en leefsituatie van S. Zo was toen al bekend dat S gebruikmaakte van de televisie, meubels en wasmachine die appellant naar de woning van S had overgebracht. Het college had, zo nodig, toen nader onderzoek kunnen doen en door dit na te laten heeft het college het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Door de aanpassing van de toeslag van S per 1 maart 2010 heeft het college bovendien het vertrouwen gewekt dat het recht op bijstand juist was vastgesteld. Het college heeft ten onrechte de bijstand van S vanaf 20 september 2005 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 20 september 2005 tot 1 mei 2012 van S teruggevorderd. Daarom heeft het college deze kosten van bijstand ten onrechte mede van appellant teruggevorderd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 59, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de verplichtingen als bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.2.

In zijn uitspraak in de zaak 14/1324 WWB van heden, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht, heeft de Raad geoordeeld dat voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het oordeel dat appellant en S in de periode van 20 september 2005 tot en met 4 juni 2012 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De Raad ziet geen aanleiding om in dit geding tot een ander oordeel te komen over de aanvang van het hoofdverblijf van appellant in de woning van S, de waarde die gehecht kan worden aan de verklaring van [R] van 2 april 2014 en de aard en omvang van de zorg die appellant en S voor elkaar hebben verleend, die de grenzen van een zakelijke huur- of kostgangersrelatie ver te boven gaan. Dit geldt ook voor de informatie die S in maart 2009 aan haar klantmanager heeft gegeven over de aanwezigheid van appellant in haar woning in de perioden waarin zij in het ziekenhuis wordt opgenomen. Aangezien deze informatie onjuist was, is geen sprake van een situatie dat door toedoen van het college de (mede)terugvordering onnodig hoog is opgelopen. De aanpassing van de toeslag van S van 20% naar 10% met ingang van 1 maart 2010 berustte op de opgave van S dat appellant vanaf 12 maart 2010 bij haar een kamer huurt. Deze opgave was evenwel onjuist omdat appellant bij S geen kamer huurt, maar sinds 20 september 2005 met S een gezamenlijke huishouding voert. Aan de verlaging van de toeslag van S kan derhalve niet de gerechtvaardigde verwachting worden ontleend dat het recht op bijstand van S vanaf 1 maart 2010 juist is vastgesteld. Daarom is voldaan aan de voorwaarden om de ten behoeve van S gemaakte kosten van bijstand over de periode van 20 september 2005 tot 1 mei 2012 mede van appellant terug te vorderen. Appellant heeft geen gronden aangevoerd tegen de wijze waarop het college van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

4.3.

Uit 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en J.F. Bandringa en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) M.S. Boomhouwer

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD

+B