Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4064

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
14/3489 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Bezit onroerend goed in het buitenland en belening van sieraden. Onduidelijke financiële situatie. geen verjaring. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3489 WWB

Datum uitspraak: 17 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

8 mei 2014, 13/6906 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.R. Roethof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 september 2014 heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2015. Namens appellante is verschenen mr. Van Doleweerd. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving over de periode van 8 juli 2004 tot en met 4 augustus 2008 (periode I) en over de periode 27 januari 2010 tot en met 2 april 2011 (periode II) bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder met toeslag.

1.2.

Op 30 maart 2011 en 20 juni 2011 heeft het college anonieme meldingen ontvangen, inhoudende dat iemand die bijstand ontvangt, met de naam van appellante, een woning bezit in Suriname en sieraden beleent bij de Stadsbank van Lening van de gemeente Amsterdam (Stadsbank). Naar aanleiding van de meldingen heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is het Internationaal Bureau Fraude-Informatie (IBF) van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verzocht een onderzoek in te stellen naar bezit van onroerende zaken van appellante in Suriname. Dit onderzoek is uitgevoerd door de Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Paramaribo. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 20 juli 2011. Uit dit onderzoek is gebleken dat appellante sinds 22 mei 2002 geregistreerd staat als eigenaar van een perceel land, groot 444,80 m², gelegen in het district [naam district] , ten westen van de [naam weg] , aan de [adres] . Op 10 juli 2008 heeft appellante dit perceel land verkocht aan de [naam Stichting] voor een bedrag van 60.000 Surinaamse dollar, omgerekend € 15.000,-. Voorts heeft de sociale recherche in het kader van het rechtmatigheidsonderzoek informatie opgevraagd bij de Stadsbank over de waarde en de beleensommen van de door appellante beleende sieraden en is appelante op

19 maart 2013 en 3 april 2013 verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport uitkeringsfraude van 8 april 2013.

1.3.

Het college heeft in de resultaten van het onderzoek aanleiding gezien om bij besluit van 23 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 oktober 2013 (bestreden besluit), de bijstand van appellante over de periode I en II in te trekken en een bedrag van € 83.241,10 van haar terug te vorderen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de eigendom van het perceel land in Suriname en het bezit en de belening van sieraden, waarvan de waarde hoger is dan het voor haar geldende vrij te laten vermogen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Anonieme tips

4.1.

Appellante heeft allereerst aangevoerd dat de anonieme tips onvoldoende concreet waren en dat het college op basis hiervan geen onderzoek had mogen instellen naar het recht op bijstand van appellante.

4.2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, samengevat, geoordeeld dat de anonieme tips voldoende concreet en specifiek waren en het college terecht aanleiding hebben gegeven tot een onderzoek ter verificatie van de ontvangen informatie. Appellante heeft in hoger beroep geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van deze beroepsgrond in de aangevallen uitspraak onjuist dat wel onvolledig is. De Raad acht het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel rust niet onjuist. De Raad merkt daarbij op dat volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3249) voor het instellen van een onderzoek als hier bedoeld geen redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist is.

Verklaring appellante

4.3.

Appellante heeft verder, evenals in beroep, aangevoerd dat het dossier incompleet is, nu de door haar op 27 juni 2008 - in het kader van een eerder onderzoek - afgelegde verklaring zich niet volledig in het dossier bevindt.

4.4.

De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn appellante in deze grond te volgen, nu de door appellante afgelegde verklaring is opgenomen in het rapport van bevindingen van 29 juli 2008, welk rapport onderdeel uitmaakt van de gedingstukken. De Raad ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen en voegt hieraan toe dat er geen aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid van wat opgenomen is in het rapport van 29 juli 2008 over die verklaring. Dit rapport is op ambtseed opgemaakt en ondertekend door de bij het gesprek betrokken handhavingsspecialist, terwijl appellante geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die aanleiding zijn om niet van de juistheid daarvan uit te gaan.

Onroerend goed in Suriname

4.5.

Het college heeft aan de intrekking van bijstand over de periode I ten grondslag gelegd dat appellante beschikte over vermogen boven de voor haar geldende vermogensgrens.

4.6.

Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan genoteerd, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellante is daarin niet geslaagd.

4.7.

Zoals ter zitting nader toegelicht stelt appellante zich op het standpunt dat zij weliswaar juridisch eigenaar was, maar niet, althans redelijkerwijs niet, heeft kunnen beschikken over het op haar naam staande perceel land in Suriname. De enkele stelling van appellante dat het perceel niet aan haar, maar aan haar oom toebehoorde is ontoereikend om niet uit te gaan van de onder 4.6 vermelde vooronderstelling.

4.8.

Niet in geschil is dat de waarde van het op naam van appellante geregistreerde perceel de voor appellante geldende grens van het vrij te laten vermogen overschreed. Ten aanzien van de - eerst ter zitting van de Raad - gestelde schuld aan de oom van appellante geldt dat het bestaan ervan niet met objectieve en verifieerbare gegevens is onderbouwd. Dit betekent dat het college er terecht vanuit is gegaan dat appellante beschikte over een vermogen met een zodanige omvang dat dit in periode I in de weg stond aan bijstandsverlening.

Sieraden

4.9.

Voor wat betreft periode II heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het bezit en de belening van sieraden, met als gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.10.

Vaststaat dat appellante in de periode van 2 april 2004 tot en met 24 juli 2012, die periode II omvat, een groot aantal sieraden voor aanzienlijke bedragen heeft beleend, teruggekocht en weer heeft herbeleend en dat zij hiervan geen melding heeft gemaakt bij het college. Appellante heeft verklaard dat zij de sieraden heeft beleend voor [naam K] (K) en dat de gelden voor het terugkopen eveneens afkomstig waren van K. Op 18 april 2013 heeft K tegenover de sociale recherche verklaard dat zij drie gouden kettingen voor belening aan appellante heeft verstrekt. Met de voor de beleende sieraden ontvangen bedragen was appellante in staat om samen met haar dochter naar Suriname te gaan. Ter zitting van de rechtbank is K als getuige gehoord. Bij die gelegenheid heeft zij daarentegen verklaard dat zij zelf geld nodig had voor privéaangelegenheden, dat zij gelet op haar werktijden niet in staat was zelf naar de Stadsbank te gaan en dat appellante in verband hiermee de sieraden voor haar beleende. De sieraden werden door appellante weer teruggekocht met geld van K.

4.11.

Appellante heeft de geldstromen in verband met de belening van de sieraden niet inzichtelijk gemaakt. Zij heeft nagelaten hierover controleerbare gegevens te verstrekken. Daarbij komt dat de door K afgelegde verklaringen niet consistent zijn voor wat betreft de besteding van de beleensommen. Doordat onduidelijkheid is blijven bestaan over het aantal beleende sieraden, de eigendom van deze sieraden en de besteding van de beleensommen kan het recht op bijstand van appellante over periode II, anders dan zij betoogt, niet worden vastgesteld.

Verjaring

4.12.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat het college niet tot terugvordering mocht overgaan in verband met verjaring van de vordering. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat het college reeds in 2008 op de hoogte was van feiten op grond waarvan zij een onderzoek had moeten starten naar het recht op bijstand van appellante.

4.13.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit met betrekking tot ten onrechte verleende bijstand aanvangt op het moment dat het bijstandverlenend orgaan bekend is geworden met feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat aan een betrokkene wellicht te weinig bijstand is verleend. Van dergelijke feiten was in 2008 geen sprake. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd komt neer op een herhaling van wat zij reeds in beroep heeft aangevoerd en leidt de Raad niet tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank.

Dringende reden

4.14.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de enkele stelling van appellante dat volledige terugvordering leidt tot ongekende hardheid, onvoldoende is voor het aannemen van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Appellante heeft dit oordeel van de rechtbank niet gemotiveerd betwist, noch anderszins dringende redenen aangevoerd op grond waarvan het college had moeten afzien van volledige terugvordering. Daarom faalt ook de hierop gerichte grond.

4.15.

Uit 4.1 tot en met 4.14 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2015.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A. Stuut

HD