Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4063

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
13/6588 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. Met nader besluit geheel tegemoetgekomen. Geen procesbelang. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/6588 WWB, 14/1374 WWB, 15/2020 WWB

Datum uitspraak: 17 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

5 december 2013, 13/995 en 13/4649 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 2 september 2014 tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2014:2944), waarin het college is opgedragen om de gebreken in het besluit van 18 juni 2013 (bestreden besluit II) te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Ter uitvoering van deze tussenuitspraak heeft het college op 21 november 2014 (bestreden besluit III) een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, bij brief van 24 december 2014 een zienswijze op dat besluit naar voren gebracht. Het college heeft hierop bij brief van 26 januari 2015 gereageerd.

Bij besluit van 2 oktober 2015 (nieuwe besluit) heeft het college het bestreden besluit III gewijzigd. Namens appellante is hierop bij brief van 5 oktober 2015 gereageerd.

De zaak is ter zitting van 6 oktober 2015 aan de orde gesteld. Partijen zijn met bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat allereerst uit van de in de tussenuitspraak vermelde feiten.

2. Appellante ontving inmiddels vanaf 17 oktober 2013 bijstand. Bij het bestreden besluit III heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 maart 2013 gegrond verklaard en aan appellante over de periode van 19 september 2012 tot 17 oktober 2013 bijstand toegekend in de vorm van een geldlening tot een bedrag van € 11.931,-. Voorts heeft het college de kosten van rechtsbijstand in bezwaar vergoed.

3. Bij het nieuwe besluit heeft het college het bestreden besluit III gewijzigd, in die zin dat aan appellante over de genoemde periode bijstand om niet wordt verleend.

4. Uit de brief van appellante van 5 oktober 2015 blijkt dat de inhoud van het nieuwe besluit haar geen aanleiding heeft gegeven tot een nadere inhoudelijke reactie. Zij heeft wel verzocht om een vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

5. De Raad verwijst voor de beoordeling van het hoger beroep naar de in de tussenuitspraak vermelde overwegingen en komt voorts tot de volgende beoordeling.

5.1.

Uit 4.2 van de tussenuitspraak blijkt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak met betrekking tot bestreden besluit I niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal in zoverre worden bevestigd.

5.2.

Nu het college met het nieuwe besluit aan appellante bijstand om niet heeft toegekend, is hiermee volledig tegemoet te genomen aan het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van de aanvraag om bijstand. Appellante heeft geen verzoek om schadevergoeding ingediend, zodat geen specifiek aan dit geschil te relateren belang resteert.

5.3.

Uit 5.2 volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit III niet ingevolge artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht wordt geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit. Het nieuwe besluit wordt dus niet in het geding betrokken. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het bestreden besluit II, zal wegens het ontbreken van enig resterend procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard. Het beroep tegen het bestreden besluit III zal om dezelfde reden niet-ontvankelijk worden verklaard.

6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep met betrekking tot het bestreden besluit II en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 1.225,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 2.205,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het besluit van

22 januari 2013;

- verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft

op het besluit van 18 juni 2013, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 november 2014 niet-ontvankelijk;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.205,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep met betrekking tot het besluit van 18 juni

2013 en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 162,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2015.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A. Stuut

HD