Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4058

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
14-199 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvragen. Appellant is niet woonachtig op het uitkeringsadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/199 WWB, 15/1595 WWB

Datum uitspraak: 17 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 21 november 2013, 13/821 (aangevallen uitspraak I) en van 26 januari 2015, 14/3983 (aangevallen uitspraak II)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak I. Namens appellant heeft mr. E. van Bommel, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak II.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2015. Namens appellant is verschenen mr. Van Bommel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Takens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 8 januari 2013 gemeld voor het aanvragen van aanvullende bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 29 januari 2013 heeft appellant de daartoe strekkende aanvraag ingediend. Bij de aanvraag heeft appellant opgegeven dat hij woont op het adres [adres] (opgegeven adres), dat hij eigenaar is van deze woning en dat water, gas en licht zijn afgesloten omdat hij geen geld voor levensonderhoud heeft.

1.2.

In het kader van deze aanvraag heeft het Verificatieteam van de gemeente

Hoogezand-Sappemeer (verificatieteam) een onderzoek ingesteld. In dat kader heeft het verificatieteam op 26 maart 2013 en 3 april 2013 onaangekondigde huisbezoeken afgelegd op het opgegeven adres, waarbij appellant niet werd aangetroffen. Bij een op 4 april 2013 bezorgde brief heeft het verificatieteam vervolgens een huisbezoek voor 5 april 2013 aangekondigd. Appellant werd wederom niet op het opgegeven adres aangetroffen. Bij een op 8 april 2013 bezorgde brief heeft het verificatieteam een huisbezoek voor 9 april 2013 aangekondigd. Appellant werd ook bij dit huisbezoek niet op het opgegeven adres aangetroffen. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

12 april 2013.

1.3.

Bij besluit van 12 april 2013 heeft het college de aanvraag van appellant van

29 februari 2013 afgewezen op de grond dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres, waardoor het college niet beschikt over voldoende informatie om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.

1.4.

Bij besluit van 22 juli 2013 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 april 2013 ongegrond verklaard.

1.5.

Op 27 juni 2013 heeft appellant zich opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen en hij heeft op 11 juli 2013 de daartoe strekkende aanvraag ingediend. Daarbij heeft hij wederom opgegeven op het opgegeven adres te wonen. Het verificatieteam heeft opnieuw een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellant. In de periode van 13 augustus 2013 tot en met 6 september 2013 heeft het verificatieteam acht onaangekondigde huisbezoeken afgelegd aan het opgegeven adres. Daarbij is op 13 augustus 2013 de broer van appellant aangetroffen en gehoord. De broer verklaarde dat hij wachtte op de makelaar en dat appellant ziek thuis, namelijk bij zijn moeder, was. Appellant is alleen op 20 augustus 2013 op het opgegeven adres aangetroffen. Appellant vertelde dat hij die dag een afspraak had met een bedrijf in verband met de verkoop van zijn woning. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 17 september 2013.

1.6.

Bij besluit van 17 september 2013 heeft het college de aanvraag van appellant van

11 juli 2013 afgewezen op de grond dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres, waardoor het college niet beschikt over voldoende informatie om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.

1.7.

Bij besluit van 17 juli 2014 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 september 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit I ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak II heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Hij heeft, evenals in beroep, betwist dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen perioden zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Bij de beoordeling van de eerste aanvraag heeft het college ten onrechte waarde gehecht aan de verklaring die een buurman bij één van de huisbezoeken heeft afgelegd en aan de verklaring van een ambtenaar van de afdeling milieu van de gemeente. Appellant verkeerde in financiële problemen en had geen geld om de levering van gas en elektriciteit te laten hervatten. Ten tijde van de tweede aanvraag beschikte hij wel weer over water. Hij kon zich in de zomerperiode goed redden zonder gas en elektriciteit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak I

4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. Dit betekent dat de hier te beoordelen periode loopt van 8 januari 2013 tot en met 12 april 2013 (te beoordelen

periode I).

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Bij een aanvraag om bijstand rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over onder meer zijn woon- en leefsituatie te verschaffen, omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van diens onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gedurende de te beoordelen periode I zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had. Daarbij heeft de rechtbank terecht doorslaggevende betekenis toegekend aan de bevindingen van de huisbezoeken. Omdat appellant daarbij niet op het opgegeven adres is aangetroffen en niet heeft gereageerd op de aankondigingen van de huisbezoeken, was het voor het college onmogelijk om de woonsituatie van appellant te beoordelen. Daarbij komt dat appellant op het aanvraagformulier had opgegeven dat water, gas en elektriciteit waren afgesloten. Het is niet aannemelijk dat appellant zonder gas, water en elektriciteit in de te beoordelen periode I, die grotendeels in de winter viel, op het opgegeven adres zijn hoofdverblijf heeft gehad. In feite heeft appellant, onder meer ter zitting in hoger beroep, ook erkend dat hij niet op het opgegeven adres kon verblijven omdat hij daar de middelen niet voor had.

4.4.

Het betoog van appellant dat hij de hypotheeklasten van de woning aan het opgegeven adres wel betaalde, kan hem niet baten. Dit doet er immers niet aan af dat hij wegens gebrek aan financiële middelen die woning niet kon verwarmen en van water en elektriciteit kon voorzien, zodat hij niet op het opgegeven adres kon verblijven. Het betoog van appellant dat het college ten onrechte waarde heeft gehecht aan de verklaringen van een buurman en van een ambtenaar van de afdeling milieu van de gemeente, behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak I niet slaagt, zodat deze uitspraak moet worden bevestigd.

Aangevallen uitspraak II

4.6.

Zoals in 4.1 is vermeld loopt de te beoordelen periode bij de afwijzing van een aanvraag om bijstand vanaf de datum waarop iemand zich heeft gemeld tot en met het besluit op die aanvraag. De hier te beoordelen periode loopt van 27 juni 2013 tot en met 17 september 2013 (te beoordelen periode II).

4.7.

Zoals in 4.2 is vermeld dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen omtrent de feiten en omstandigheden die nopen tot inwilliging van de aanvraag.

4.8.

De Raad verwijst naar hetgeen hij heeft overwogen in 4.3 en 4.4. Appellant is in de te beoordelen periode II slechts bij één van de huisbezoeken op het opgegeven adres aangetroffen, maar hij was toen in afwachting van een bezoek van een bedrijf in verband met de voorgenomen verkoop van zijn woning. Appellant had geen eten in huis, kon geen vuile was laten zien en kon, behalve een tandenborstel en tandpasta die in een handtas zaten, geen toiletspullen laten zien. Het water was weer aangesloten, maar de hoofdkraan was dichtgedraaid. Bij de andere zeven huisbezoeken is appellant niet op het opgegeven adres aangetroffen. Zijn broer verklaarde op 13 augustus 2013 dat appellant ziek thuis, bij zijn moeder, was. De rechtbank heeft daarom op goede gronden geoordeeld dat appellant nog steeds niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had. In wat appellant heeft aangevoerd over, kort gezegd, zijn gebrek aan financiële middelen en dat de gevolgen daarvan bekend zijn bij de WSNP-bewindvoerder en dat appellant zich in de zomerperiode kon redden zonder gas- en elektra, ziet de Raad geen grond om ten aanzien van deze aanvraag anders te oordelen.

4.9.

Uit 4.6 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak II niet slaagt, zodat deze uitspraak eveneens moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken I en II.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. ter Brugge en

S.E. Zijlstra als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2015.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD