Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4049

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
19-11-2015
Zaaknummer
14/2837 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De bestuursrechter dient eerst na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hij zelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een - formele dan wel informele - bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is. De rechtbank heeft dan ook terecht ter zitting onderzocht of de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het bestreden besluit in stand konden worden gelaten. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het aannemelijk is dat appellant in ieder geval gedurende een week 29,75 uur bezig is geweest met de inrichting van de kwekerij. De overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid worden onderschreven. In aanvulling daarop wordt in aanmerking genomen dat appellant desgevraagd ter zitting bij de rechtbank heeft bevestigd dat hij tijdens de opbouw van de hennepkwekerij 30 uur per week werkzaam is geweest. De rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit zijn dus terecht in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/2837 WW

Datum uitspraak: 18 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 april 2014, 13/3245 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.F.J. Bergmans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2015. Namens appellant is verschenen mr. J.N. McKernan, kantoorgenoot van mr. Bergmans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft laatstelijk vanaf 26 november 2010 een uitkering ontvangen op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een omvang van 29,75 uur per week.

1.2.

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant per

1 december 2010 ingetrokken en over de periode van 1 december 2010 tot en met 6 april 2011 een bedrag van € 5.457,27 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant teruggevorderd. Aan dit besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen, door het Uwv geen mededeling te doen van het feit dat hij naast zijn WW-uitkering een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd.

1.3.

Bij besluit van 16 september 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 maart 2013 ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op het besluit van 5 maart 2013, het bestreden besluit in zoverre vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zoverre in stand blijven en het beroep voor het overige ongegrond verklaard, een en ander met bepalingen over proceskosten en griffierecht.

2.2.

Over de ingangsdatum van de intrekking van de WW-uitkering heeft de rechtbank overwogen dat op woensdag 6 april 2011 in de kelder van de toenmalige woning van appellant een hennepkwekerij is aangetroffen en dat er in het “rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel” diverse aanwijzingen worden genoemd die erop duiden dat sprake is geweest van meerdere oogsten. De rechtbank heeft met name van belang geacht de aanwijzing inzake de dubbele afdrukken van plantenpotten. Verder blijkt uit dit rapport dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van één eerder gerealiseerde oogst, dat tevens wordt uitgegaan van een kweekcyclus van tien weken per oogst en dat appellant tijdens zijn verhoor heeft verklaard dat de hennepplanten die bij hem zijn aangetroffen op dat moment zeven weken oud waren. Mede gezien de omstandigheid dat ook enige tijd gemoeid is geweest met de opbouw van de kwekerij heeft de rechtbank de door het Uwv bepaalde ingangsdatum van de intrekking van WW-uitkering alleszins reëel en niet onredelijk geoordeeld.

2.3.

Over de omvang van de werkzaamheden heeft de rechtbank overwogen dat, anders dan het Uwv heeft gesteld, appellant na de ontdekking van de hennepkwekerij wel enige mededeling hierover heeft gedaan. Appellant heeft namelijk tijdens zijn verhoor bij de politie op 6 april 2011 verklaard dat hij ongeveer drie dagen met de opbouw van de kwekerij bezig is geweest. Hiervan uitgaande en in aanmerking nemende dat met de aanschaf van de benodigde materialen ook enige tijd gemoeid is geweest, heeft de rechtbank het aannemelijk geacht dat appellant in ieder geval gedurende een week 29,75 uur bezig is geweest met de inrichting van de kwekerij. Het risico dat deze schatting in het nadeel van appellant uitvalt, komt voor zijn rekening, nu hij van zijn werkzaamheden geen opgave heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit tot gevolg dat appellant zijn werknemerschap over die uren heeft verloren. Dat appellant vervolgens minder dan 29,75 uur aan de kwekerij heeft besteed, kan hem niet baten, omdat appellant die werkzaamheden niet als werknemer heeft verricht en het werknemerschap niet gedeeltelijk kan worden herkregen. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2012:BX4015.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de ingangsdatum en de omvang van de werkzaamheden in de hennepkwekerij bestreden. Appellant heeft zijn standpunt gehandhaafd dat sprake is geweest van één teeltcyclus, namelijk de teelt die door de politie is aangetroffen, en dat voorafgaand aan die teeltcyclus slechts sprake is geweest van proefdraaien zodat het Uwv de WW-uitkering niet heeft mogen intrekken per 1 december 2010. Verder heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank niet de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand had mogen laten door zelf de omvang van de werkzaamheden van appellant in de hennepkwekerij te schatten, maar het Uwv opdracht had moeten geven een onderzoek hiernaar te verrichten. Hij heeft bij de politie weliswaar verklaard dat hij drie dagen heeft gewerkt aan de opbouw van de kwekerij maar dat waren niet drie dagen van ieder acht uur.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep is uitsluitend in geding het oordeel van de rechtbank over de ingangsdatum van de intrekking van de WW-uitkering en het aantal uren waarover appellant zijn werknemerschap heeft verloren in verband met zijn werkzaamheden in de hennepkwekerij.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank over de ingangsdatum van de intrekking van de

WW-uitkering en de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid worden onderschreven. Wat appellant op dit punt in hoger beroep naar voren heeft gebracht betreft een herhaling van wat hij eerder in bezwaar en in beroep heeft aangevoerd. Ook in hoger beroep heeft appellant zijn standpunt dat slechts sprake is geweest van één teelt niet met concrete gegevens onderbouwd.

4.3.

Artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief beslecht. Ook uit de rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld ECLI:NL: CRVB:2010:BO4110) blijkt dat een bestuursrechter bij een

(te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil dient te onderzoeken. Dit houdt in, dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hij zelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een - formele dan wel informele - bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is. De rechtbank heeft dan ook terecht ter zitting onderzocht of de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het bestreden besluit in stand konden worden gelaten.

4.4.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het aannemelijk is dat appellant in ieder geval gedurende een week 29,75 uur bezig is geweest met de inrichting van de kwekerij. De overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid worden onderschreven. In aanvulling daarop wordt in aanmerking genomen dat appellant desgevraagd ter zitting bij de rechtbank heeft bevestigd dat hij tijdens de opbouw van de hennepkwekerij 30 uur per week werkzaam is geweest. De rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit zijn dus terecht in stand gelaten.

4.5.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) M.S.E.S. Umans

HD