Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4047

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
19-11-2015
Zaaknummer
13/5117 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:6165, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitgaande van de feiten die met de verklaringen zijn komen vast te staan, heeft de kantonrechter geoordeeld dat sprake is geweest van een terecht ontslag op staande voet, met andere woorden dat de ontslagreden een dringende reden is in de zin van artikel 7:678 van het BW. Op dezelfde feiten heeft het Uwv zijn beslissing gebaseerd dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Voor de juistheid van de stelling van appellant dat aan zijn werkloosheid desalniettemin geen dringende reden ten grondslag ligt, ontbreekt ieder aanknopingspunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5117 WW

Datum uitspraak: 18 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2013, 13/4294 en 13/4295 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. A.J.F. Gonesh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft geantwoord op een vraag van de Raad en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2015. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was als monteur werkzaam in dienst van [BV] (werkgeefster). Bij brief van 19 december 2012 heeft werkgeefster appellant meegedeeld dat hij per 18 december 2012 op staande voet is ontslagen. Als reden voor de beëindiging van het dienstverband heeft werkgeefster opgegeven:

“Wij zijn van mening dat u ons door een onrechtmatige handeling, zoals vermeld in het gesprek op bovengenoemde datum met u en uw leidinggevende de heer
[naam] , het vertrouwen onwaardig bent geworden.”

1.2.

Appellant heeft zich bij brieven van 28 december 2012 en 22 januari 2013 tegen het hem gegeven ontslag verzet en gesteld dat hem ten onrechte een verwijt van onrechtmatig handelen is gemaakt. Met een brief van 28 januari 2013 heeft werkgeefster aan appellant bericht:

“De reden van het ontslag is u genoegzaam bekend. Op 18 december jl. heeft u tijdens uw werkzaamheden op uw werklocatie (t.w. [werklocatie] ) een aantal flessen cola gestolen. Uw leidinggevende heeft zulks geconstateerd. In die zin dat de bewuste flessen zich in de bestelbus van uw collega bevonden waarmee u naar desbetreffende filiaal bent meegereden. Daarop heeft een gesprek plaatsgevonden tussen uw leidinggevende en uw collega de heer [naam collega] . In dat gesprek op
18 december 2012 heeft u desgevraagd erkend de flessen cola te hebben meegenomen uit de hiervoor genoemde supermarkt, zonder daarvoor te betalen. Een verdere verklaring voor uw handelen heeft u niet gegeven.”

Met een op 6 februari 2013 aan werkgeefster gezonden brief heeft appellant de diefstal ontkend.

1.3.

Appellant heeft de kantonrechter van de rechtbank Den Haag verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening werkgeefster te bevelen tot wedertewerkstelling en loondoorbetaling. Bij vonnis van 23 mei 2013 heeft de kantonrechter de gevraagde voorziening geweigerd. De kantonrechter was - onder meer op grond van door [naam] en [naam collega] afgelegde
verklaringen - van oordeel dat voorshands niet voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure de door appellant ingeroepen nietigheid van het ontslag op staande voet zal worden gehonoreerd.

1.4.

In de door appellant aanhangig gemaakte bodemprocedure heeft de kantonrechter op
13 maart 2014 een tussenvonnis gewezen, waarbij hij werkgeefster heeft toegelaten tot het bewijs van haar stellingen dat appellant op 18 december 2012 uit het magazijn van de supermarkt van [werklocatie] een 4-pack cola heeft ontvreemd en dat zij in verband daarmee hem op die datum ontslag op staande voet heeft verleend. Werkgeefster heeft vervolgens [naam kwaliteitsmanager] , kwaliteitsmanager van genoemde supermarkt, alsmede [naam] en [naam collega] als getuigen doen horen. Op grond van de door deze getuigen afgelegde verklaringen heeft de kantonrechter bij het eindvonnis van 24 juli 2014 als zijn oordeel gegeven dat de diefstal op 18 december 2012 en het aan appellant gegeven ontslag op staande voet zijn komen vast te staan. De kantonrechter heeft het ontslag terecht geoordeeld en de vorderingen van appellant tot - onder meer - wedertewerkstelling en doorbetaling van loon afgewezen.

1.5.

Met een door hem op 19 december 2012 ingediend formulier had appellant inmiddels aan het Uwv gevraagd hem in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 7 januari 2013 was op deze aanvraag afwijzend beslist. Het Uwv had bepaald dat appellant met ingang van 19 december 2012 weliswaar recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze uitkering niet tot uitbetaling kan komen omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.

1.6.

Voor zover in deze procedure van belang, heeft het Uwv bij besluit van 6 juni 2013 (bestreden besluit) beslist op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 januari 2013. Het Uwv heeft het standpunt gehandhaafd dat appellant is ontslagen op grond van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dat het ontslag aan hem te wijten is en dat er geen persoonlijke omstandigheden zijn die voor het ontslag op staande voet een beletsel waren. Volgens het Uwv is wegens verwijtbare werkloosheid terecht de maatregel van blijvende en gehele weigering opgelegd. Van verminderde verwijtbaarheid is geen sprake.

2.1.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

2.2.

Voor zover in hoger beroep van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank onder meer overwogen (waarbij appellant is aangeduid als verzoeker en het Uwv als verweerder):

“De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder geen eigen onderzoek heeft gedaan bij [BV] , maar zijn standpunt met betrekking tot de verwijtbare werkloosheid van verzoeker heeft gebaseerd op het vonnis in kort geding van de kantonrechter van de rechtbank (…) van 23 mei 2013, en de daaraan ten grondslag liggende stukken, waaronder de verklaringen van [naam] , [naam collega] en [naam kwaliteitsmanager] . Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn deze verklaringen inzichtelijk en inhoudelijk consistent ten aanzien van hetgeen op 18 december 2012 is voorgevallen. Hetgeen verzoeker hiertegen heeft aangevoerd - in hoofdzaak enkel de ontkenning van de inhoud van die verklaringen - kan niet met zich brengen dat aan de juistheid van die verklaringen dient te worden getwijfeld. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onzorgvuldig gehandeld en was verder onderzoek niet aangewezen.

(…) Aan verzoeker kan worden toegegeven dat er geen op schrift gestelde verklaring is van de getuige die zou hebben gezien dat verzoeker de flessen cola heeft meegenomen uit het magazijn van de supermarkt. Dit kan echter niet afdoen aan het feit dat verweerder zich mede heeft kunnen baseren op de eerder genoemde verklaring van [naam kwaliteitsmanager] , waarin deze verwoordt wat deze getuige tegenover hem heeft verklaard, bezien in samenhang met de verklaringen van [naam collega] en [naam] . Verweerder heeft zich aldus terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een objectieve dringende reden voor het gegeven ontslag.”

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft geconcludeerd dat aan de werkloosheid van appellant een dringende reden ten grondslag ligt, waarvan hem een verwijt kan worden gemaakt en dat het Uwv de WW-uitkering terecht blijvend en geheel heeft geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep de betrouwbaarheid ter discussie gesteld van de verklaringen die de voorzieningenrechter van de rechtbank voor zijn oordeel van betekenis heeft geacht. Volgens appellant is niet komen vast te staan dat hij zich aan diefstal schuldig heeft gemaakt.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak gevraagd. Hij heeft daarbij erop gewezen dat appellant zijn stelling dat de verklaringen, die onder ede zijn afgelegd, niet juist zijn niet heeft onderbouwd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de toepasselijke wettelijke bepalingen wordt verwezen naar overweging 4.2 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Gelet op de door appellant geformuleerde beroepsgronden is de beoordeling in hoger beroep beperkt tot de vraag of de voorzieningenrechter van de rechtbank kan worden gevolgd in zijn oordeel over de betekenis die het Uwv mocht toekennen aan de verklaringen van [naam] , [naam collega] en [naam kwaliteitsmanager] .

4.3.

Blijkens het bestreden besluit is het Uwv voor de vaststelling van de feiten - in het bijzonder van wat is voorgevallen bij de [werklocatie] op 18 december 2012 en van wat door [naam] op diezelfde dag met appellant is besproken - afgegaan op het vonnis van de kantonrechter van 23 mei 2012. Blijkens dit vonnis had werkgeefster in de procedure verklaringen ingebracht van [naam kwaliteitsmanager] , [naam] en [naam collega] . Deze verklaringen, die zich bij de gedingstukken bevinden, bevatten gedetailleerde beschrijvingen van de gebeurtenissen op 18 december 2012. Blijkens het vonnis hebben [naam] en [naam collega] tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening ten overstaan van de kantonrechter bevestigd dat appellant in het gesprek met [naam] op 18 december 2012, waarbij [naam collega] aanwezig is geweest, de diefstal heeft erkend en dat [naam] appellant vervolgens op staande voet heeft ontslagen.

4.4.

Met de verklaringen van [naam kwaliteitsmanager] , [naam] en [naam collega] , en daarbij het voorlopige oordeel van de kantonrechter over deze verklaringen, had het Uwv voldoende inzicht gekregen in de feiten die werkgeefster aan het op 18 december 2012 gegeven ontslag ten grondslag had gelegd om daarop zijn opvatting te baseren dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door een ontslag op grond van een dringende reden.

4.5.

Er is geen reden voor twijfel aan de betrouwbaarheid van de verklaringen. Daargelaten kan worden wat appellant betreffende de totstandkoming van de verklaringen als zijn veronderstelling naar voren heeft gebracht. Nadat de kantonrechter met het tussenvonnis van 13 maart 2014 werkgeefster in de gelegenheid had gesteld om met het doen horen van [naam kwaliteitsmanager] , [naam] en [naam collega] als getuigen bewijs te leveren van haar stelling dat appellant op 18 december 2012 een 4-pack cola had ontvreemd en in verband daarmee op staande voet was ontslagen, hebben zij immers alle drie tijdens een getuigenverhoor bevestigd dat hun schriftelijke verklaringen, die volledig zijn geciteerd in het tussenvonnis, juist zijn. Voor zover de verklaringen een beschrijving bevatten van informatie die van anderen is verkregen, is uiteengezet in welke context en door wie die informatie is verstrekt.

4.6.

Uitgaande van de feiten die met de verklaringen zijn komen vast te staan, heeft de kantonrechter geoordeeld dat sprake is geweest van een terecht ontslag op staande voet, met andere woorden dat de ontslagreden een dringende reden is in de zin van artikel 7:678 van het BW. Op dezelfde feiten heeft het Uwv zijn beslissing gebaseerd dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Voor de juistheid van de stelling van appellant dat aan zijn werkloosheid desalniettemin geen dringende reden ten grondslag ligt, ontbreekt ieder aanknopingspunt.

4.7.

Conclusie is dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak een juist oordeel heeft gegeven. Het hoger beroep van appellant slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en
A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) M.S.E.S. Umans

NK