Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4045

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
14-6968 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:9354, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6968 ZW

Datum uitspraak: 28 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 november 2014, 14/2617 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als voltijds facilitair medewerker bij een kinderdagverblijf. Hij ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en heeft zich per 6 mei 2013 ziek gemeld met longklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Appellant heeft tweemaal het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht, voor het laatst op

9 januari 2014. Deze arts is op grond van lichamelijk en psychisch onderzoek en de informatie van de behandelend neuroloog van 30 juli 2013, tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 10 januari 2014 geschikt kan worden geacht voor zijn functie van facilitair medewerker. Bij besluit van 9 januari 2014 heeft het Uwv vervolgens het recht op ziekengeld met ingang van 10 januari 2014 beëindigd.

1.2.

Onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

7 maart 2014 heeft het Uwv het bezwaar van appellant gericht tegen het besluit van

9 januari 2014, bij besluit van 10 maart 2014 (bestreden besluit), ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat al ruim voor de aanmelding bij de psycholoog in mei 2014 sprake was van psychische klachten. Deze zijn echter niet eerder onderkend wegens de focus op de somatische aspecten van zijn klachten. Voorts valt uit de informatie van de neuroloog af te leiden dat appellant psychisch verre van optimaal functioneerde voordat de diagnose werd gesteld dat sprake is van een depressieve stoornis en een angststoornis. Dat appellant tijdens de bezwaarprocedure geen melding heeft gemaakt van psychische klachten, komt omdat hij de klachten niet als zodanig wist te herkennen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant informatie overgelegd van zijn huisarts, de behandelend psycholoog, de behandelend neuroloog en de behandelend longarts.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak wordt onder “zijn arbeid” verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte werk. In dit geval is dat de voltijds werkende facilitair medewerker. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 23 juli 2013 blijkt dat deze arts voldoende op de hoogte was van de aard en de zwaarte van de in deze functie voorkomende werkzaamheden. Daarbij wordt van belang geacht dat appellant over dit werk te kennen heeft gegeven dat hij deze werkzaamheden fysiek niet zwaar vond. De achteraf opgestelde en in beroep overgelegde verklaring van de werkgever van 15 mei 2014 kan hieraan niet afdoen nu, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 18 juni 2014 heeft vermeld, deze verklaring niet met medische gegevens wordt onderbouwd.

4.2.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is uitgevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek verricht en appellant op de hoorzitting van 12 februari 2014 gezien. Bij het onderzoek heeft deze arts de ontvangen informatie van de radioloog van 28 november 2013, de longarts van 25 februari 2014 en de neuroloog van 28 februari 2014 betrokken. In het rapport van

7 maart 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven dat uit alle voorhanden informatie naar voren komt dat appellant weliswaar nog gezondheidsklachten ervaart, maar niet dat aan die klachten medische aandoeningen ten grondslag liggen die het aannemelijk maken dat appellant structureel en langdurig arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd. De informatie van de longarts laat immers zien dat appellant al jaren allergische astma heeft en dat sprake is van een matige luchtwegobstructie, waarvoor hij wordt behandeld door de longarts en de huisarts. Ook de geheugenklachten zijn al jaren aanwezig en de laatste tijd verergerd. Recent onderzoek door de neuroloog hiernaar geeft geen aanleiding om te spreken van een dementieel beeld maar mogelijk van een mild cognitive impairment met differentiaaldiagnose klachten door psychogene factoren. De maatgevende arbeid betreft echter geen fysiek zwaar werk, is psychisch niet belastend, omvat geen grote eindverantwoordelijkheid en er bestaat geen groot afbreukrisico. Appellant moet dan ook per 10 januari 2014 geschikt worden geacht voor zijn maatgevende arbeid.

4.3.

De in beroep en hoger beroep overgelegde aanvullende informatie van de huisarts, de neuroloog, de verpleegkundig specialist en de GZ-psycholoog, kunnen niet leiden tot het oordeel dat het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 10 april 2015 te kennen heeft gegeven, de datum in geding 10 januari 2014 is. Het eerste contact met de psycholoog was in mei 2014. Dat de klachten van appellant niet van de ene op de andere dag zijn begonnen, is reëel. Dat de psychische klachten en beperkingen op 10 januari 2014 al zodanig waren dat werken niet mogelijk was is echter niet aannemelijk. Dit komt ook niet overeen met de bevindingen bij het onderzoek van de verzekeringsarts op 9 januari 2014 en het toen beschreven tamelijk actieve dagverhaal. Bij dat onderzoek werd ook aandacht besteed aan de psychische gesteldheid van appellant. De klachten van vergeetachtigheid en de slaapproblematiek worden immers in de probleemanalyse genoemd. Voorts blijkt uit de informatie van de neuroloog van 18 april 2014 dat het in april 2014 goed ging met appellant. Op de hoorzitting van 12 februari 2014 werd door appellant wel te kennen gegeven dat hij last had van vergeetachtigheid, maar angstklachten heeft hij niet genoemd. Dat deze angstklachten al in 2012 aanwezig waren en appellant als gevolg daarvan depressieve klachten heeft ontwikkeld, waarvoor hij eerst in mei 2014 bij de psycholoog in beeld komt, maakt het niet waarschijnlijk dat hij al lange tijd van deze klachten veel hinder heeft ondervonden in het dagelijks leven. Ten slotte verandert volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep het feit dat de huisarts appellant wegens psychische klachten heeft verwezen, niets aan de vastgestelde belastbaarheid van appellant op de datum in geding.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het Uwv op goede gronden het recht op ziekengeld met ingang van 10 januari 2014 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en M.C. Bruning en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2015.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) M. Crum

AP