Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2015
Datum publicatie
19-11-2015
Zaaknummer
14-4796 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indien herziening wordt verzocht van een uitspraak van de rechtbank en op het hoger beroep tegen die uitspraak door de Raad een uitspraak is gegeven, dient het herzieningsverzoek bij de Raad te worden ingediend. Een dergelijk verzoek dient te worden aangemerkt als een verzoek tot herziening van de desbetreffende uitspraak van de Raad, zodat daarop ook door de Raad dient te worden beslist. Het voorgaande lijdt slechts uitzondering indien herziening wordt gevraagd met betrekking tot een oordeel in de uitspraak van de rechtbank waarover de Raad niet inhoudelijk heeft beslist. Deze uitzondering doet zich hier voor, nu het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 juli 2011 niet-ontvankelijk is verklaard. In hetgeen appellante bij haar verzoek om herziening en in hoger beroep tegen de afwijzing daarvan naar voren heeft gebracht, liggen geen feiten of omstandigheden besloten als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4796 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

11 juli 2014, 14/2453 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 21 juli 2015 heeft C. van Blankers, als gemachtigde van appellante, nog enige stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2015. Namens appellante is

Van Blankers verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij beslissing op bezwaar van 21 januari 2011 heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen een besluit van 23 juli 2010 tot weigering van een toeslag ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), gegrond verklaard. De Svb heeft bij de beslissing op bezwaar alsnog per 1 januari 2009 een toeslag ingevolge de AOW aan appellante toegekend en heeft over de periode van januari 2009 tot en met augustus 2010 een bedrag ter hoogte van € 10.984,35 aan appellante nabetaald.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen de beslissing op bezwaar van

21 januari 2011, kennelijk gericht tegen de ingangsdatum van de toeslag, ongegrond verklaard bij de uitspraak van 6 juli 2011.

1.3.

Het namens appellante tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Raad van 21 oktober 2011 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het hoger beroep niet tijdig was ingesteld. Tegen deze uitspraak is namens appellante verzet gedaan, dat vervolgens bij uitspraak van 6 juni 2012 ongegrond is verklaard.

1.4.

Bij brief van 21 maart 2014 heeft appellante aan de rechtbank verzocht om herziening van de uitspraak van 6 juli 2011.

2. De rechtbank heeft dit verzoek bij de aangevallen uitspraak afgewezen, omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Appellante heeft in hoger beroep ten eerste aangevoerd dat, anders dan de rechtbank heeft vermeld, hoger beroep mogelijk moet zijn tegen de aangevallen uitspraak. Verder is aangevoerd dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden en dat de toeslag toegekend had moeten worden vanaf 1999.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge het overgangsrecht bij de Wet van 20 december 2013 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft op een verzoek om herziening van een voor

1 januari 2013 bekend gemaakte uitspraak het recht van toepassing zoals dat voor die datum gold. Op grond van artikel 8:88 van de Awb, zoals dat luidde vóór 1 januari 2013, kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben geleid.

4.2.

Bij de beoordeling van het onderhavige hoger beroep dient, gelet op de uitspraak van de Raad van 18 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1333) het volgende in aanmerking te worden genomen. Indien herziening wordt verzocht van een uitspraak van de rechtbank en op het hoger beroep tegen die uitspraak door de Raad een uitspraak is gegeven, dient het herzieningsverzoek bij de Raad te worden ingediend. Een dergelijk verzoek dient te worden aangemerkt als een verzoek tot herziening van de desbetreffende uitspraak van de Raad, zodat daarop ook door de Raad dient te worden beslist. Het voorgaande lijdt slechts uitzondering indien herziening wordt gevraagd met betrekking tot een oordeel in de uitspraak van de rechtbank waarover de Raad niet inhoudelijk heeft beslist. Deze uitzondering doet zich hier voor, nu het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 juli 2011 niet-ontvankelijk is verklaard.

4.3.

In hetgeen appellante bij haar verzoek om herziening en in hoger beroep tegen de afwijzing daarvan naar voren heeft gebracht, liggen geen feiten of omstandigheden besloten als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat zij vanaf 1999 recht heeft op een toeslag ingevolge de AOW.

4.4.

Het is vaste rechtspraak dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.

4.5.

Nu niet is gebleken dat appellante enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb naar voren heeft gebracht, heeft de rechtbank het verzoek om herziening op goede gronden afgewezen.

4.6.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2015.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) L.H.J. van Haarlem

UM