Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4039

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2015
Datum publicatie
19-11-2015
Zaaknummer
14-2948 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft appellant ten onrechte ontvangen in zijn bezwaar tegen de invorderingsbrief van 29 juli 2013 omdat deze brief niet is gericht op enig zelfstandig rechtsgevolg. De verplichting tot terugbetaling was al ontstaan door het herzienings- en terugvorderingsbesluit van 23 juli 2013. Daarnaast kan de brief niet als besluit tot vaststelling van de betalingsplicht als bedoeld in artikel 4:86 van de Awb worden gezien, omdat appellant nog de mogelijkheid wordt geboden om over een betalingsregeling contact op te nemen met het Uwv en hij over de wijze van betalen nog afzonderlijk zou worden bericht. Terecht is de uitkering herzien met terugwerkende kracht, het kon appellant redelijkerwijs duidelijk zijn dat hij ten onrechte uitkering ontving. Geen sprake van dringende redenen op grond waarvan van terugvordering kan worden afgezien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2948 WIA

Datum uitspraak: 23 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 mei 2014, 13/3236 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. H.M.G. Duijsters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Duijsters. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 11 juni 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 27 maart 2009 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Vanaf 27 januari 2011 ontvangt appellant een

WGA-loonaanvullingsuitkering. Appellant is per 1 mei 2011 in dienst getreden bij werkgever [naam werkgever] .

1.2.

Bij besluit van 23 juli 2013 is de uitkering van appellant over de periode van 1 mei 2011 tot en met 1 juni 2013 (lees: 30 juni 2013) herzien en is de teveel betaalde uitkering van hem teruggevorderd. Bij brief van 29 juli 2013 is aan appellant bericht dat hij het bedrag van

€ 8.125,86 binnen zes weken aan het Uwv dient terug te betalen. Daaraan is toegevoegd dat appellant, indien hij de vordering niet binnen zes weken in één keer kan betalen, voor de laatste betaaldag contact op kan nemen met het Uwv. Samen wordt dan gekeken of het bedrag in termijnen kan worden terugbetaald. Als appellant niet op tijd betaalt en ook niet reageert, dan zal het Uwv bepalen hoe appellant moet terugbetalen. Hierover ontvangt appellant dan apart een brief. Bij besluit van 29 juli 2013 heeft het Uwv bepaald dat de uitkering van appellant met ingang van 1 augustus 2013 in de vorm van een maandelijks voorschot betaalbaar wordt gesteld.

1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 juli 2013 en tegen het besluit en de brief van 29 juli 2013. Bij besluit van 21 oktober 2013 zijn voormelde bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank heeft de gegrondverklaring gebaseerd op de overweging dat het Uwv pas in beroep inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij zijn inkomsten had moeten melden. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 1 mei 2011 naast zijn uitkering ongeveer 33,7% meer inkomsten is gaan ontvangen en heeft overwogen, onder verwijzing naar de richtlijnen “redelijkerwijs duidelijk”, dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij teveel uitkering ontving. Niet is aangetoond dat appellant niet over zijn volledige verstandelijke vermogens beschikte. Het Uwv heeft de richtlijnen op consistente wijze toegepast en de uitkering van appellant terecht herzien en verlaagd over de periode van 1 mei 2011 tot en met 1 juni 2013 (lees: 30 juni 2013). Van een dringende reden, die noopt tot afzien van terugvordering, is de rechtbank niet gebleken. Ten aanzien van het besluit de uitkering als voorschot betaalbaar te stellen heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv hiertoe bevoegd was omdat appellant wisselende inkomsten genoot.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de uitspraak van de rechtbank onbegrijpelijk is omdat de rechtbank alleen de eerste hoofdregel van de richtlijnen “redelijkerwijs duidelijk” heeft toegepast zonder de andere regels van de richtlijnen daarbij te betrekken. Ook is onbegrijpelijk dat de rechtbank geen dringende reden aanwezig heeft geacht. Het Uwv was niet verplicht tot terugvordering en gelet op de bekendheid van het Uwv met het dienstverband van appellant en de onbekendheid van appellant met zijn rechten en plichten had de rechtbank het besluit tot terugvordering niet in stand mogen laten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of het Uwv appellant terecht in zijn bezwaar tegen de invorderingsbrief van 29 juli 2013 heeft ontvangen. De Raad komt tot een ontkennend antwoord op deze vraag omdat deze brief niet is gericht op enig zelfstandig rechtsgevolg. De verplichting tot terugbetaling was al ontstaan door het herzienings- en terugvorderingsbesluit van 23 juli 2013. Daarnaast kan de brief niet als besluit tot vaststelling van de betalingsplicht als bedoeld in artikel 4:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gezien, omdat appellant nog de mogelijkheid wordt geboden om over een betalingsregeling contact op te nemen met het Uwv en hij over de wijze van betalen nog afzonderlijk zou worden bericht. De Raad verwijst naar zijn uitspraken van 22 april 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI3389) en van 16 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1400). Dat het Uwv in de brief een bezwaarclausule heeft vermeld doet hier niet aan af, omdat het vermelden daarvan niet met zich brengt dat daarmee rechtsgevolgen in het leven worden geroepen. Het Uwv had het bezwaar van appellant tegen de invorderingsbrief niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank heeft dit niet onderkend met als gevolg dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit in zoverre gegrond verklaren en het bezwaar tegen de invorderingsbrief van 23 juli 2013 alsnog niet-ontvankelijk verklaren. De Raad zal hierna onderzoeken of het oordeel van de rechtbank voor het overige in stand kan blijven.

4.2.1.

Op grond van artikel 27 van de Wet WIA verstrekt de verzekerde die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering of de hoogte van de uitkering.

4.2.2.

Op grond van artikel 76 van de Wet WIA herziet het Uwv een beschikking op grond van deze wet indien deze als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van artikel 27 van deze wet ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld.

4.2.3.

In het derde lid van artikel 3 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van het Uwv van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230, is bepaald dat de uitkering van de verzekerde die het redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hem ten onrechte tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, wordt herzien met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hem ten onrechte een te hoog bedrag aan uitkering werd verstrekt.

4.2.4.

Het Uwv heeft de richtlijnen “redelijkerwijs duidelijk” opgesteld ter beoordeling van de vraag of het verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat aan hem ten onrechte een te hoog bedrag aan uitkering werd verstrekt. De rechtbank heeft deze richtlijnen opgenomen in de aangevallen uitspraak en - onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad - deze richtlijnen terecht aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid waarvan de bestuursrechter alleen de toepassing op consistentie kan toetsen. In hoofdregel 1 van deze richtlijnen is bepaald dat wanneer het bruto betaalde bedrag per dag 10% (of meer) meer bedraagt dan de verschuldigde bruto-uitkering, in het algemeen wordt aangenomen dat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij teveel ontving.

4.3.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het gegeven dat appellant door zijn werkzaamheden bij [naam werkgever] ongeveer 33,7% méér inkomsten verwierf dan hij daarvoor aan uitkering genoot, meebrengt dat daarmee is voldaan aan hoofdregel 1 van de richtlijnen “redelijkerwijs duidelijk”. In het door appellant niet nader onderbouwde beroep op de nadere beoordelingsregels 3 tot en met 5 wordt geen aanleiding gevonden om te oordelen dat niet aan hoofdregel 1 toepassing kon worden gegeven. De omstandigheid dat het Uwv bekend was met het dienstverband van appellant maakt evenmin dat niet aan hoofdregel 1 toepassing kon worden gegeven. Ten aanzien van het beroep van appellant op de nadere beoordelingsregel 6 sluit de Raad zich geheel aan bij de overweging van de rechtbank ter zake. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 13 overwogen dat de zinsneden uit de documenten waar appellant zich op beroept, namelijk dat “klant niet goed in staat is voor zichzelf op te komen” en dat “klant beperkte mogelijkheden in persoonlijke en sociale omstandigheden heeft”, voor het Uwv geen aanleiding hoefden te zijn om de nadere beoordelingsregel 6 toe te passen. Daarmee heeft de rechtbank kennelijk bedoeld dat de aangehaalde zinsneden niet duiden op een zodanig onvermogen van appellant in zijn persoonlijk functioneren dat het hem niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij zijn inkomsten diende op te geven aan het Uwv. In de nadere beoordelingsregel wordt in dit verband als voorbeeld genoemd dat, in het geval betrokkene niet over zijn volledige verstandelijke vermogens beschikt, van hem niet verwacht mag worden om opgave te doen van zijn inkomsten. Daarvan is hier echter niet gebleken. De Raad is op grond van wat hiervoor is overwogen van oordeel dat de beschreven gedragslijn in het voorliggende geval op consistente wijze is toegepast.

4.4.

Van dringende redenen op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien, is de Raad evenmin gebleken. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT2869) zijn dringende redenen slechts gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. In wat appellant heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen als hiervoor bedoeld. Daarbij is van belang dat de financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voordoen indien tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft appellant als schuldenaar de bescherming, of kan deze zo nodig inroepen, van de regels van de beslagvrije voet als opgenomen in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.5.

De gronden met betrekking tot de hoogte van de terugvordering en het besluit de uitkering als voorschot betaalbaar te stellen zijn ook in hoger beroep niet onderbouwd en leiden niet tot een ander oordeel.

4.6.

Hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor het overige kan worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Deze worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal

€ 1.960,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op de invorderingsbrief van 29 juli 2013;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op de invorderingsbrief van 29 juli 2013;

- verklaart het bezwaar van appellant tegen de de invorderingsbrief van 29 juli 2013

niet-ontvankelijk;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-.

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van Zeben-de Vries als voorzitter en L. Koper en

H.O. Kerkmeester als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2015.

(getekend) G. van Zeben-de Vries

(getekend) W. de Braal

UM