Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4001

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
13/1829 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing laattijdige aanvraag Wajong-uitkering, omdat appellante kon werken en daarmee meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1829 WWAJ

Datum uitspraak: 26 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

27 februari 2013, 12/10836 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2015. Namens appellante is verschenen mr. drs. R. Müller, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.F. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1975, is in 2007 werkzaam geweest als verkoopster bij videotheek [naam videotheek] . Op 10 december 2007 is zij uitgevallen voor haar werkzaamheden wegens zwangerschapsklachten. Aansluitend op haar zwangerschapsverlof heeft appellante zich met ingang van 20 mei 2008 met psychische klachten ziek gemeld. Appellante heeft een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een Wet WIA-uitkering is ontstaan omdat zij met ingang van 17 mei 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2.

Appellante heeft op 2 mei 2012 een aanvraag ingediend op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) vanwege sinds haar jeugd bestaande psychische en lichamelijke klachten. Naar aanleiding van de aanvraag heeft de arbeidsdeskundige in haar rapport van 8 mei 2012 geconcludeerd dat appellante bijna 9,5 maanden fulltime bij [naam videotheek] heeft gewerkt, daarin meer dan het minimumloon heeft verdiend en naar tevredenheid heeft gefunctioneerd. Bij besluit van 10 mei 2012 heeft het Uwv de aanvraag van appellante afgewezen, omdat zij kon werken en daarmee meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen.

1.3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 mei 2012. Het Uwv heeft aanleiding gezien aanvullend verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek te laten verrichten, gevolgd door verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek in bezwaar. Bij besluit van 18 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 mei 2012 ongegrond verklaard, onder de overweging dat appellante niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest vanaf haar 17e levensjaar als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, van de Wet Wajong.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden om voor arbeidsondersteuning in aanmerking te komen als bedoeld in artikel 2:15, eerste lid, onder a en d, van de Wet Wajong.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep gronden van medische en arbeidskundige aard aangevoerd. Kort samengevat komen deze gronden op het volgende neer. Zij acht het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen. Er heeft geen medisch onderzoek plaatsgevonden. In de aan het bestreden besluit mede ten grondslag liggende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is geen of onvoldoende rekening gehouden met haar psychische en lichamelijke toestand. Daarnaast acht appellante het ongeloofwaardig dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zowel ziet op appellantes huidige situatie als op haar

18e levensjaar, 20 jaar geleden, mede gelet op de gebeurtenissen in die 20 jaar. De rechtbank is voorts ten onrechte voorbij gegaan aan de beroepsgrond dat het Uwv niet de vraag heeft moeten beantwoorden of appellante meer dan 75% van het maatmaninkomen kan verdienen, maar of zij dit kon met het verrichten van arbeid. Het Uwv heeft niet vastgesteld of het loon bij Sandereijn kon gelden als inkomen uit arbeid.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals is uiteengezet in de uitspraak van de Raad van 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111, dient, omdat appellante is geboren vóór 1980, de beoordeling van haar aanspraken plaats te vinden aan de hand van het bepaalde in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Dat de aanvraag pas op of na 1 januari 2010 is ingediend doet daaraan niet af.

4.2.1.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid, die voor zijn krachten en bekwaamheden is berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of op een naburige soortgelijke plaats, te verdienen, hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen, van dezelfde soort en soortgelijke opleiding, op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen.

4.2.2.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.

4.3.

Het betoog van appellante dat zij door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet persoonlijk is onderzocht, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 13 maart 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE1875) betekent de enkele omstandigheid dat een zelfstandig medisch onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep achterwege is gebleven immers niet dat reeds daarom sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming in bezwaar. In het onderhavige geval was bovendien niet te verwachten dat een nieuw medisch onderzoek bijna 20 jaren na de hier van belang zijnde datum, 16 mei 1993, nog toegevoegde waarde zou kunnen hebben. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellante ter zitting die meerwaarde ook niet kunnen omschrijven. Van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit is dan ook geen sprake.

4.4.

In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 oktober 2012, gelezen in samenhang met het rapport van de verzekeringsarts van 8 augustus 2012, is inzichtelijk uiteengezet dat de medische situatie van appellante op haar 17e en 18e levensjaar niet wezenlijk verschilde dan in 2009 en 2010, toen zij in het kader van de Wet WIA is beoordeeld door de verzekeringsarts. Bij de ziektebeelden kon de verzekeringsarts van een aantal aandoeningen stellen dat het aannemelijk was dat deze al eerder bestonden. Er waren geen aanwijzingen dat appellante in 2010 in een betere conditie verkeerde dan toen zij 17 jaar was en ook de gronden wijzen niet op een toename van haar belastbaarheid tussen 1992 en

2008-2010. In 2008 is de belastbaarheid verminderd. De medische situatie van appellante in 1992 was dus niet slechter dan in 2010. Daarom is de FML uit 2010, die in het kader van de Wet WIA is opgesteld, ook van toepassing geacht op appellantes 17e en 18e levensjaar. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hetgeen appellante heeft aangevoerd, geen reden vormt om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsartsen.

4.5.

Het oordeel van de rechtbank dat niet behoeft te worden getwijfeld aan de juistheid van de in de FML opgenomen beperkingen, wordt dus onderschreven. Appellante heeft geen medische of andere gegevens overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat rond 16 mei 1993 voor haar meer of andere beperkingen golden. Volgens vaste rechtspraak (onder meer uitspraken van 24 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9240 en 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6477) ligt bij een laattijdige aanvraag bij de aanvrager het bewijsrisico dat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen.

4.6.

Ook de arbeidskundige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid, waaronder de functieduiding, kan, als die beoordeling ziet op een ver in het verleden gelegen datum, problematisch zijn. Als dit het gevolg is van een late aanvraag, ligt het, volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraken van de Raad van 1 november 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU5978 en 4 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2293), eveneens in de risicosfeer van de aanvrager dat exacte gegevens over functies in een ver verleden niet meer traceerbaar zijn.

Een zodanige situatie is in dit geval aan de orde, nu appellante bijna 20 jaar na haar 17e jaar een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet Wajong heeft ingediend. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 1 juni 2015 aannemelijk gemaakt dat de aan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag gelegde functies ook rond de 17/18-jarige leeftijd van appellante op de arbeidsmarkt voorkwamen en dat de voorappellante geselecteerde functies in medisch opzicht passend zijn. De geselecteerde functies kunnen de rechterlijke toets doorstaan, waarbij de rechtbank in rechtsoverweging 11 van haar uitspraak terecht heeft overwogen dat daarom buiten beschouwing kan blijven de vraag of de werkzaamheden van appellante voor [naam videotheek] te kwalificeren zijn als arbeid.

4.7.

Vastgesteld wordt dat de beoordeling door het Uwv in overeenstemming met de bepalingen van de AAW is en dat niet is gebleken dat de onderhavige arbeidsongeschiktheidsschatting verricht is in strijd met enige regel van ongeschreven recht of een algemeen rechtsbeginsel. Appellante maakt geen aanspraak op een uitkering ingevolge de AAW.

4.8.

In het rapport van 1 juni 2015 is kenbaar gemotiveerd waarom de geselecteerde functies voor appellante passend zijn te achten. Hieruit volgt dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit eerst in hoger beroep kenbaar is geworden. Nu niet blijkt dat appellante hierdoor is geschaad, passeert de Raad dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Wel bestaat er daarom reden om het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van de door appellante in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 980,- in hoger beroep, totaal

€ 1.960,-.

5. Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.8 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.960,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door P.H. Banda, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2015.

(getekend) P.H. Banda

(getekend) K. de Jong

AP