Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3996

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
14/2532 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de FML van 22 mei 2013 een juist beeld van de beperkingen van appellant weergeeft. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat zowel zijn lichamelijke als zijn psychische belastbaarheid is overschat. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Appellant heeft zijn stelling dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat niet met objectieve medische stukken onderbouwd. Juistheid FML. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/2532 WIA

Datum uitspraak: 4 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

20 maart 2014, 11/1899 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Aytemur, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2015. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde. Voor het Uwv is verschenen mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam via een uitzendbureau als productiemedewerker voor 28 uur per week. Hij heeft zich vanuit een werkloosheidssituatie ziek gemeld wegens psychische klachten, thalassemie en diabetes mellitus. Op 25 november 2010 heeft hij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 9 mei 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 1 maart 2011 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA. Bij besluit van 28 november 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2011 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft psychiater dr. C.C. Kan als deskundige benoemd. Kan heeft op

12 september 2012 een rapport uitgebracht. Naar aanleiding van de bevindingen van Kan heeft het Uwv de beperkingen die opgenomen zijn in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangescherpt en neergelegd in de nieuwe FML van 19 november 2012. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de geduide functies bekeken. Enkele functies zijn komen te vervallen en er zijn nieuwe functies geduid. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft onveranderd onder de 35%, zodat er geen recht op WIA-uitkering bestaat. Kan heeft desgevraagd zijn standpunt op enkele punten nader onderbouwd en op grond daarvan is opnieuw een FML opgesteld, gedateerd 22 mei 2013. De geduide functies zijn bekeken door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en onverminderd passend geacht.

3.1.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat in beroep een medische en arbeidskundige heroverweging heeft plaatsgevonden op grond waarvan de motivering van het bestreden besluit is gewijzigd. Het beroep is gegrond verklaard, het besluit van

28 november 2011 is vernietigd en bepalingen zijn gegeven over proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Hiertoe is overwogen dat de psychische beperkingen nu op juiste wijze zijn opgenomen in de FML van 22 mei 2013. De lichamelijke beperkingen als gevolg van de thalassemie en diabetes mellitus zijn naar het oordeel van de rechtbank ook juist weergegeven in die FML. De geduide functies zijn passend en de mate van arbeidsongeschiktheid is minder dan 35%, zodat het standpunt van het Uwv dat er geen recht bestaat op een WIA-uitkering juist is.

3.2.

In hoger beroep heeft appellant - samengevat - aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is verricht. Het is onbegrijpelijk dat er voor de thalassemie geen verdergaande beperkingen zijn opgenomen. Dat appellant geen medicijnen hiertegen gebruikt, wil niet zeggen dat hij geen verschijnselen heeft. Hetzelfde geldt voor de diabetes mellitus. Daarnaast zijn de psychische klachten door de deskundige niet goed ingeschat. De deskundige en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben aangegeven dat appellant psychisch benutbare mogelijkheden heeft en dat zijn klachten (om onduidelijke redenen) zullen verbeteren. Dit is niet juist. Appellant verwijst naar een uitspraak van de Raad van 23 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2495. In die zaak was ook een deskundige benoemd en had het Uwv de FML aangepast, maar de Raad oordeelde dat er nog steeds geen juist beeld was gegeven van de beperkingen. Dat is in de onderhavige zaak ook het geval. Het arbeidskundig onderzoek is ook niet zorgvuldig verricht. De geduide functies zijn niet passend. In alle functies komen overschrijdingen van de belastbaarheid voor zoals is weergegeven in de FML maar ook overschrijdingen van de belastbaarheid waarvoor geen beperkingen zijn opgenomen in de FML. Tot slot heeft appellant aangegeven dat hij per 19 november 2014 in aanmerking is gebracht voor een WGA-uitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de FML van 22 mei 2013 een juist beeld van de beperkingen van appellant weergeeft. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat zowel zijn lichamelijke als zijn psychische belastbaarheid is overschat. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Appellant heeft zijn stelling dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat niet met objectieve medische stukken onderbouwd.

4.2.

Het beroep op de in 3.2 genoemde uitspraak van de Raad kan niet slagen. In dit geval wordt niet geoordeeld dat er geen juist beeld is gegeven van de beperkingen, zoals dat in de in 3.2 genoemde uitspraak wel het geval was.

4.3.

Appellant kan evenmin gevolgd worden in zijn stelling dat er voor de thalassemie en diabetes mellitus meer beperkingen opgenomen hadden moeten worden. Voor deze aandoeningen gebruikt appellant geen medicatie en is hij niet onder behandeling. Daarnaast heeft appellant in het verleden ondanks de thalassemie en diabetes mellitus goed gefunctioneerd en is niet gebleken dat de klachten die eruit voortvloeien toegenomen zijn. De algemene informatie over thalassemie die appellant in hoger beroep heeft ingebracht leidt niet tot twijfel aan de juistheid van de FML, omdat hiermee niet is aangetoond dat de aandoening bij appellant op de datum in geding tot meer beperkingen leidde.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de FML, zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies passend. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de signaleringen, die aangeven dat er mogelijk sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid, genoegzaam heeft gemotiveerd. De belasting van de functies overschrijdt de belastbaarheid van appellant niet.

4.5.

Dat aan appellant per 19 november 2014 een WGA-uitkering is toegekend, betekent niet dat de beoordeling per 1 maart 2011 onjuist is, temeer omdat appellant heeft aangegeven dat zijn klachten zijn toegenomen.

5. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en M.C. Bruning en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2015.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) V. van Rij

TM