Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3978

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2015
Datum publicatie
17-11-2015
Zaaknummer
13-6497 WWAJ-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. In bestreden besluit 2 is ten onrechte het standpunt gehandhaafd dat appellant geen nieuw gebleken feiten in de zin van artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd. Hiermee is dit besluit in zoverre rechtens onjuist. Om te kunnen komen tot een definitieve beslechting van het geschil is er aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv opdracht te geven het in 4.7 geformuleerde gebrek in bestreden besluit 2 te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/6497 WWAJ-T, 15/4877 WWAJ-T

Datum uitspraak: 6 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
29 oktober 2013, 13/1843 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft nadere stukken ingezonden en een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.F. van Willigen, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1991, heeft op 19 maart 2010 een aanvraag ingediend voor arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Deze aanvraag is, onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv, bij besluit van 9 juni 2010 afgewezen. Volgens de verzekeringsarts was appellant als gevolg van zijn beperkte verstandelijke vermogen en emotionele kwetsbaarheid al op 17-jarige leeftijd beperkt voor het verrichten van arbeid. Appellant is aangewezen op eenvoudige en goed gestructureerde werkzaamheden passend bij het niveau van praktijkschoolonderwijs, waarbij er op de werkvloer, met name tijdens een wat langer durende inwerkperiode, voldoende begeleiding kan worden geboden. Appellant zal bij een wisseling van het takenpakket of de werkzaamheden altijd wat extra begeleiding behoeven. Deze begeleiding kan worden geboden door een jobcoach. De arbeidsdeskundige heeft met inachtneming van deze arbeidsbeperkingen voor appellant geschikte voorbeeldfuncties geselecteerd en aan de schatting ten grondslag gelegd. Hierbij heeft hij vastgesteld dat appellant in staat is om ten minste 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen. Appellant voldoet daarom niet aan de voorwaarden om als jonggehandicapte in de zin van de Wet Wajong te worden beschouwd. Appellant heeft tegen het besluit van 9 juni 2010 geen rechtsmiddel aangewend.

1.2.

Op 20 september 2011 en op 3 januari 2012 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend voor arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet Wajong. Bij besluit van 15 december 2011 respectievelijk 18 januari 2012 heeft het Uwv afwijzend beslist op deze aanvragen. Volgens het Uwv heeft appellant geen stukken bij zijn aanvragen gevoegd die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 9 juni 2010. Tegen de besluiten van 15 december 2011 en 18 januari 2012 heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.3.

Op 24 juli 2012 heeft appellant wederom een aanvraag ingediend voor arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet Wajong. Daarbij heeft hij een brief van
M. van Rosmalen gevoegd. Van Rosmalen is de persoonlijk begeleider van appellant. Sinds
1 juni 2012 woont appellant op een locatie van Siza te [woonplaats]. Het betreft een woonvorm waarbinnen 24 mensen met een lichte of matige verstandelijke beperking ondersteuning en begeleiding krijgen in hun dagelijkse activiteiten en persoonlijke ontwikkeling.

1.4.

Bij besluit van 31 oktober 2012 heeft het Uwv, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts, afwijzend beslist op de aanvraag van 24 juli 2012. Volgens het Uwv heeft appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 9 juni 2010.

1.5.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 oktober 2012 is bij besluit van
25 februari 2013 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze heeft in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding gezien om te adviseren terug te komen van het besluit van 9 juni 2010. De door appellant overgelegde zorgindicaties zien niet op de datum in geding.

2. De rechtbank, overwegend dat het besluit van 9 juni 2010 in rechte onaantastbaar is geworden, heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellant bij zijn verzoek om herziening van 24 juli 2012 en in bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2012 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangevoerd. Voor zover voor appellant eind 2011 een zorgzwaartepakket VG02 is geïndiceerd, welke medio 2013 nog verder is verhoogd, en voor zover sinds 1 juni 2012 van begeleid wonen sprake is, kan dit op zichzelf niet als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid worden aangemerkt. Volgens de rechtbank geven deze omstandigheden geen aanleiding om de conclusie van het Uwv, dat appellant aan begeleiding in de vorm van een jobcoach voldoende had, voor onjuist te houden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zich geen nieuwe feiten of omstandigheden voordoen. Appellant is in het verleden te optimistisch ingeschat op het gebied van de intensiviteit van begeleiding bij arbeid in het vrije bedrijf. Pas sinds appellant onder begeleiding woont, is gebleken dat hij veel meer begeleiding nodig heeft. Deze behoefte bestond ook al op 17-jarige leeftijd en zal altijd blijven bestaan. Dat is een nieuw feit.

3.2.

Het Uwv heeft naar aanleiding van een vraag van de Raad een nieuwe beslissing op bezwaar van 16 juni 2015 (bestreden besluit 2) genomen. Bij dit besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 oktober 2012 alsnog gegrond verklaard. Het Uwv heeft daaraan wederom ten grondslag gelegd dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die aanleiding kunnen geven om terug te komen van het besluit van 9 juni 2010. Het Uwv heeft wel nader onderzoek laten verrichten door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor zover het appellants aanspraken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering betreft voor de periode na de aanvraag van 24 juli 2012. Uit dit onderzoek is gebleken dat de belastbaarheid van appellant ten aanzien van het aspect begeleiding moet worden aangescherpt. Met deze wijziging zijn geen geschikte functies voor appellant te duiden op de arbeidsmarkt. Het Uwv heeft daarom vastgesteld dat appellant met ingang van 15 november 2012, zijnde 16 weken na zijn aanvraag van 24 juli 2012, recht heeft op arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet Wajong.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Het Uwv is met bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet gekomen aan het beroep van appellant, zodat op grond van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb het beroep van rechtswege tegen dit besluit is gericht.

4.2.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, moet een aanvraag van een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering, naar zijn strekking worden beoordeeld.

4.3.

In de uitspraak van 14 januari 2015 is verder uiteengezet op welke wijze een dergelijke aanvraag door de aanvrager moet worden onderbouwd en door het Uwv moet worden beoordeeld, en hoe de rechter beslissingen van het Uwv op dergelijke aanvragen toetst.

4.4.

Ter ondersteuning van zijn aanvraag van 24 juli 2012 heeft appellant, onder verwijzing naar hetgeen Van Rosmalen daarover heeft vermeld, aangevoerd dat hij op 17-jarige leeftijd in arbeid al veel meer begeleiding nodig had, dan bij het besluit van 9 juni 2010 is aangenomen. De aanvraag van appellant van 24 juli 2012 is een herhaling van de aanvraag waarop het Uwv bij besluit van 9 juni 2010 heeft beslist. Bij besluit van 9 juni 2010 is de aanvraag van appellant voor een Wet Wajong-uitkering afgewezen. Niettegenstaande deze in rechte onaantastbaar geworden afwijzing wenst appellant dat het Uwv hem alsnog in aanmerking brengt voor een Wet Wajong-uitkering. Deze aanvraag is, en zo wordt ook onderkend door het Uwv, er dan ook op gericht dat het Uwv zowel voor de periode voorafgaand aan de aanvraag van 24 juli 2012 als voor de periode erna terugkomt van dit besluit. Gezien de inhoud van de aanvraag en het bezwaarschrift tegen het besluit van
31 oktober 2012 heeft appellant niet een besluitvorming onder toepassing van de Wet Amber voor ogen gestaan.

4.5.

Het Uwv heeft met bestreden besluit 2 vastgesteld dat appellant per 15 november 2012 recht heeft op arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet Wajong. In zoverre is het Uwv voor de periode na de aanvraag van 24 juli 2012 teruggekomen van het besluit van

9 juni 2010. Nu ligt enkel nog ter beoordeling de vraag voor of in hetgeen door appellant is aangevoerd aanleiding had moeten worden gezien om ook voor de periode voorafgaand aan deze aanvraag terug te komen van dat besluit. Beoordeeld moet eerst worden of het Uwv terecht heeft geoordeeld dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd.

4.6.

Anders dan het Uwv bij bestreden besluit 2 heeft vastgesteld, dient het gegeven dat in 2012 is gebleken dat appellant in arbeid meer begeleiding nodig heeft, dan aanvankelijk was voorzien, te worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Het ter zitting door het Uwv ingenomen standpunt dat dit gegeven niet kan worden gezien als een nieuw gebleken feit, omdat appellant eerder had kunnen aanvoeren dat hij meer begeleiding nodig heeft, wordt niet gedeeld. Uit de aanvraag van appellant van 20 september 2011 blijkt dat appellant wordt geadviseerd te starten met ambulante ondersteuning. Uit de aanvraag van 3 januari 2012 blijkt dat voor appellant met ingang van 6 oktober 2011 een zorgzwaartepakket VG02 (wonen met begeleiding) is geïndiceerd. Uit de aanvraag van 24 juli 2012 volgt dat appellant sinds 1 juni 2012 woont op een locatie van Siza te [woonplaats]. Appellant wordt daar 7 dagen per week en 24 uur per dag ondersteund en begeleid. Eerst bij gelegenheid van appellants intrek bij Siza is gebleken dat appellant veel meer begeleiding nodig heeft, dan aanvankelijk was voorzien. Om deze reden is voor appellant een indicatie voor zorgzwaartepakket VG03 (wonen met begeleiding en verzorging) aangevraagd die hem met ingang van 12 juni 2013 is toegekend. Appellant heeft niet eerder dan bij zijn aanvraag van 24 juli 2012 gemotiveerd kunnen aanvoeren dat zijn begeleidingsbehoefte door het Uwv was onderschat. Dit is appellant, en met name zijn begeleiding, immers pas duidelijk geworden toen hij onder 24 uurs-begeleiding bij Siza ging wonen.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat in bestreden besluit 2 ten onrechte het standpunt is gehandhaafd dat appellant geen nieuw gebleken feiten in de zin van artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd. Hiermee is dit besluit in zoverre rechtens onjuist.

4.8.

Om te kunnen komen tot een definitieve beslechting van het geschil is er aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv opdracht te geven het in 4.7 geformuleerde gebrek in bestreden besluit 2 te herstellen.

4.9.

Met het oog op de verdere besluitvorming door het Uwv stelt de Raad vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een grotere begeleidingsbehoefte van appellant dan bij de afwijzing van de aanvraag bij besluit van 9 juni 2010 was aangenomen. De Raad wijst daarbij op de inhoud van de aan besluit 2 ten grondslag liggende rapporten van 24 maart 2015 en 21 april 2015 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij rapport van 2 april 2015 op basis van die grotere begeleidingsbehoefte geconcludeerd dat per 9 juni 2010, de datum waarop de eerste aanvraag van appellant werd afgewezen, geen geschikte functies te vinden waren, zodat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 80 tot 100% bedroeg.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 16 juni 2015 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2015.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) D. van Wijk

NW