Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3976

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
14-1673 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid, anders dan op grond van ziels- en lichaamsgebreken. Subsidiair is aan appellante ontslag verleend op grond van artikel 99, eerste lid, van het ARAR, wegens een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Met de minister wordt geoordeeld dat de opstelling van appellante, een toereikende grond vormde voor het verlenen van ontslag wegens ernstige verstoring van de arbeidsverhouding gevolgd door een impasse en dat voortzetting van het dienstverband niet langer van de minister kan worden gevergd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1673 AW

Datum uitspraak: 12 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 februari 2014, 12/916, 12/9903, 13/7878 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J.L. Baas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Baas en mr. M.A.R. Schuckink Kool. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.E. Wieringa-van Rees en drs. G.E.M. Tielen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 1 oktober 1998 werkzaam bij het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport, laatstelijk vanaf 15 december 2000 als [naam functie A] bij de Inspectie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming, thans Inspectie jeugdzorg (IJZ). Nadat appellante in eerdere (functionerings)gesprekken reeds diverse keren was aangesproken op haar wijze van communiceren, heeft de toenmalig hoofdinspecteur V in een functioneringsgesprek op

1 februari 2008 met appellante besproken dat haar communicatie met externen, collega’s en haarzelf nu toch echt moet verbeteren en heeft zij appellante ontheven van haar accounttaken totdat haar communicatieve vaardigheden zichtbaar zijn verbeterd. De overige inspecteurstaken mag appellante blijven uitvoeren. V heeft tevens laten weten gebruik te willen maken van de uitstekende analytische vaardigheden van appellante. Op 12 februari 2009 heeft V met appellante besproken dat appellante na een begeleidingstraject door V tijdens drie gesprekken met externen zal worden geobserveerd. Vooraf zullen de punten worden aangegeven waarop wordt gelet en achteraf zullen die worden teruggekoppeld. Op grond daarvan zal worden beoordeeld of appellante haar accounttaken weer kan hervatten. Tussen februari 2009 en november 2009 heeft appellante een begeleidingstraject ter verbetering van haar communicatieve vaardigheden gevolgd bij een externe coach. Op

30 oktober 2009 is appellante geobserveerd bij interviews met groepsleiders, leidinggevenden en jongeren van een gesloten jeugdzorginstelling. Van de interviews en de bevindingen van de observanten zijn verslagen gemaakt. In een gesprek op 26 januari 2010 heeft V met appellante besproken dat ze onvoldoende vaardigheden bezit om de functie van [naam functie A] goed uit te voeren en dat met appellante zal worden gekeken naar andere mogelijkheden op het gebied van arbeid, die aansluiten bij haar capaciteiten.

1.2.

Bij besluit van 4 februari 2010 is aan appellante buitengewoon verlof verleend in verband met de ontstane impasse. Daarbij is te kennen gegeven dat directeuren van andere diensten bereid zijn gevonden om appellante tijdelijk ander werk te laten verrichten en dat zij in de gelegenheid wordt gesteld om oriënterende gesprekken te voeren bij de desbetreffende directies.

1.3.

Op 23 februari 2010 is een beoordeling opgemaakt over de periode van 1 februari 2008 tot 31 december 2009, die na een schriftelijke zienswijze van appellante is vastgesteld op

2 november 2010. Tegen die beoordeling heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.4.

Van 3 juni 2010 tot 1 december 2010, nadien verlengd tot 1 juni 2011 bij besluit van

18 november 2010, zijn aan appellante tijdelijke werkzaamheden opgedragen bij de directie Wetgeving en Juridische zaken (WJZ). Tegen het besluit van 18 november 2010 heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.5.

Eind 2010 is aan appellante de gelegenheid geboden tot het volgen van een ontwikkelassessment in het kader van de begeleiding naar een andere functie dan die van [naam functie A] bij IJZ. Appellante heeft dit niet aanvaard. Na een gesprek op 16 februari 2011 heeft de plaatsvervangend secretaris-generaal K in een brief van 17 maart 2011 aan appellante voorgesteld om gedurende een periode van twee jaar op basis van detachering, bijvoorbeeld bij een andere inspectie, elders te werken en aldus de mogelijkheden te verkennen voor haar verdere loopbaan en het vinden van een andere passende functie, met behoud van haar rechtspositie.

1.6.

Op 4 april 2011 is met appellante gesproken over detachering voor twee jaar bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en in een volgend gesprek van 2 mei 2011 hebben partijen nader gesproken over de detachering, waarbij tegelijkertijd met behulp van een extern bureau outplacement zal plaatsvinden. Indien na ommekomst van twee jaar geen andere functie is gevonden, volgt ontslag op grond van artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Appellante heeft laten weten dit aanbod niet te accepteren, maar een functie als [naam functie A] op het gebied van jeugdzorg en gezondheidszorg te ambiëren.

1.7.

Bij besluit van 6 juni 2011 is aan appellante met onmiddellijke ingang buitengewoon verlof verleend op grond van artikel 33e, eerste lid, van het ARAR, met behoud van bezoldiging tot dat het ontslagbesluit is genomen. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

1.8.

Bij besluit van 23 november 2011 (bestreden besluit) heeft de minister aan appellante ontslag verleend, primair op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR, wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door haar beklede ambt, anders dan op grond van ziels- en lichaamsgebreken. Subsidiair is aan appellante ontslag verleend op grond van artikel 99, eerste lid, van het ARAR, wegens een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Tegen dit besluit is, na instemming van de minister, rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.9.

Bij besluit 22 december 2011 heeft de minister de bezwaren tegen de besluiten van

2 november 2010 (beoordeling) en 18 november 2010 (verlenging tijdelijke werkzaamheden) ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. Bij besluit van

20 september 2012 heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 juni 2011 tot het verlenen van buitengewoon verlof niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft ook daartegen beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 22 december 2011 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, de bezwaren tegen de besluiten van 2 november 2010 en 18 november 2010 gegrond verklaard en die besluiten herroepen, met veroordeling van de minister in de proceskosten. Voorts heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 september 2012 gegrond verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand kunnen blijven. Ten slotte heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft op de hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij haar beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister in beroep bij het indienen van de stukken aan de rechtbank niet alle stukken heeft overgelegd die een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming. Volgens appellante is de rechtbank eraan voorbijgegaan dat de minister op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de op de zaak betrekking hebbende stukken dient te overleggen. Appellante heeft daarbij gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BA3823). Volgens appellante heeft de minister stukken die haar standpunt onderbouwen, niet bij de rechtbank ingediend. Deze schending dient volgens appellante te leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, zonder dat aan een inhoudelijke toetsing door de Raad wordt toegekomen.

4.2.

Het door appellante genoemde arrest van de Hoge Raad is voor deze zaak niet van belang, omdat daarin is geoordeeld dat een bestuursorgaan behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van de Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, tegemoet dient komen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk aan de rechter indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak. In het onderhavige geval heeft de minister niet geweigerd stukken te overleggen waar door appellante om was verzocht. Voor zover aanvankelijk al sprake was van onvolledige toezending van de op de zaak betrekking hebbende gedingstukken, heeft de Raad niet kunnen vaststellen dat de rechtbank uiteindelijk niet heeft beschikt over alle stukken die aan het bestreden besluit ten grondslag hebben gelegen. Daarbij komt dat appellante ook zelf stukken heeft ingediend als bijlagen bij de processtukken, waaronder dertien ordners met stukken. De Raad heeft onder de gedingstukken die hij van de rechtbank heeft ontvangen, geen lacunes vastgesteld. De minister heeft in beroep de stukken, zoals door de rechtbank verzocht, op chronologische volgorde ingediend en de rechtbank heeft die stukken doorgestuurd aan de gemachtigde van appellante. Voor zover daarin stukken ontbraken, is appellante nu zij zelf van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt stukken in te dienen, niet in haar belangen geschaad, noch is er sprake geweest van schending van het beginsel van een goede procesorde.

4.3.

Appellante heeft ten aanzien van het ontslag gesteld dat haar leidinggevenden na de melding van de misstanden bij adoptie van kinderen uit Haïti in 2002, een dossier hebben opgebouwd en dat is gezocht naar gronden om haar te ontslaan. Deze gronden zijn door haar leidinggevenden gevonden in communicatieproblemen. Deze stelling, die erop neer komt dat aan het ontslag oneigenlijke motieven ten grondslag liggen, heeft appellante niet nader onderbouwd, terwijl de Raad daarvoor in de gedingstukken ook geen aanknopingspunten heeft aangetroffen. De stelling treft dan ook geen doel.

4.4.

Voorts heeft appellante betoogd dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel sprake is van een verband tussen haar ontheffing van accounttaken en haar werkzaamheden in 2007 en 2008 als deelnemer aan een werkgroep die de leiding adviseerde, waarbij die werkgroep kritiek heeft geuit op voorgenomen organisatieveranderingen. In de periode van het OR-lidmaatschap in 2009 en ook daarna, was volgens appellante sprake van benadeling door V, die haar eind 2009 heeft gedwongen om het OR-lidmaatschap neer te leggen en vervolgens erop uit was haar vertrek te bewerkstelligen. De minister heeft volgens appellante artikel 21 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) geschonden.

4.5.

De Raad overweegt dat appellante op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat er een verband bestond tussen de OR-werkzaamheden van appellante en de kritiek die V had op haar functioneren of dat V heeft beoogd het vertrek van appellante te bewerkstelligen. Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat er een verband was tussen de deelname van appellante aan de werkgroep en de ontheffing van haar accounttaken. De voorbeelden die appellante heeft aangevoerd, hebben alle betrekking op de relatie tussen appellante en V als leidinggevende. Het feit dat V zowel leidinggevende was van appellante als deel uitmaakte van de leiding van de dienst waarvoor de OR was ingesteld, is op zichzelf onvoldoende om een schending van artikel 21 van de WOR te kunnen aannemen. Het gegeven dat diverse rechtspositionele besluiten die zijn genomen ten aanzien van appellante, dateren van na het neerleggen van haar OR-lidmaatschap, vormt daarvoor evenmin een voldoende aanknopingspunt. Bovendien was V tot 1 september 2010 leidinggevende van appellante en heeft zij geen rol gespeeld bij het nemen van de beslissing tot ontslag van appellante in 2011. Deze beroepsgrond van appellante slaagt dan ook niet.

4.6.

Op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 16 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1224) moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Voorts zal in het algemeen van een ontslag op de hiervoor genoemde grond niet eerder sprake kunnen zijn dan nadat de ambtenaar door het bevoegd gezag op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren.

4.7.

Voor zover appellante heeft betoogd dat het ontslagbesluit niet in stand kan blijven omdat de beoordeling door de rechtbank is herroepen, brengt dat volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 16 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3981) en zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, niet met zich dat aan de overige door de minister in het geding gebrachte stukken geen betekenis meer toekomt en het ontslagbesluit reeds om die reden geen stand kan houden.

4.8.

De minister heeft aan zijn standpunt dat appellante ongeschikt is voor het vervullen van haar functie ten grondslag gelegd dat haar communicatieve vaardigheden te wensen overlaten, zowel binnen de inspectie tegenover de (plaatsvervangend) hoofdinspecteur en collega’s, als bij het optreden naar buiten. Dat probleem is steeds opnieuw in de verschillende functioneringsgesprekken aan de orde gekomen. De ervaringen zijn dat appellante in haar contact met instellingen niet of niet expliciet reageert op opmerkingen van de andere gesprekspartner over de context waarbinnen de instelling werkt, met als gevolg dat het gesprek niet op gang komt. Een kenmerk van de manier van reageren is dat appellante op ieder gespreksverslag en op ieder stuk waarin ten behoeve functioneringsgesprekken informatie over haar wordt gegeven, uitgebreid en op detailniveau schriftelijk reageert. De collega’s die de desbetreffende informatie hebben gegeven, spreekt appellante indringend en vasthoudend aan. Daarbij valt op dat appellante steeds weer zaken ontkent, aangeeft dat procedures niet goed zijn toegepast en voorbeelden aanhaalt die net niet aansluiten bij de gegeven informatie. De reacties van appellante hebben steeds betrekking op de feiten en procedures die niet goed zouden zijn toegepast en zij gaat voorbij aan de onderliggende boodschap. Appellante zoekt steeds de oorzaak van de problemen buiten zichzelf, aldus de minister.

4.9.

Appellante heeft hier tegen in gebracht dat de rechtbank niet deugdelijk onderbouwde beweringen van de minister over haar functioneren heeft overgenomen en het bewijs van appellante van het tegendeel heeft weggelaten.

4.10.

De Raad stelt vast dat de gedingstukken bevestigen dat reeds vanaf 2003 sprake is van ernstige kritiek op de communicatieve vaardigheden van appellante. Steeds als appellante werd geconfronteerd met de kritische kanttekeningen, voerde zij argumenten aan die het tegendeel zouden moeten bewijzen en gaat zij voorbij aan de boodschap die gegeven wordt. Kenmerkend is bijvoorbeeld dat verslagen van functioneringsgesprekken steeds uitvoerig(er) en minutieus werden voorzien van de visie van appellante. Als gevolg van de discussie en impasse die daarna ontstaat, konden die verslagen vervolgens niet of pas na zeer lange tijd worden vastgesteld. Met diverse collega’s die informatie hadden verstrekt aan de leidinggevenden voorafgaande aan de functioneringsgesprekken van appellante, is appellante in discussie gegaan over de verstrekte informatie.

4.11.

Appellante heeft ter ondersteuning van haar standpunt verwezen naar concrete positieve feedback die zij heeft ontvangen over haar functioneren en wijze van communiceren. De stukken waar appellante naar verwijst, waaronder de op 25 mei 2011 onder ede afgelegde verklaring van O, die aanwezig was bij het gesprek op 16 februari 2011 met de plaatsvervangend secretaris-generaal, bevestigen dat zij ook positieve feedback heeft ontvangen over haar functioneren als [naam functie A]. Uit de gedingstukken, waaronder de verslagen van de functioneringsgesprekken, komt ook naar voren dat de leidinggevenden positieve aspecten in het functioneren van appellante hebben benoemd, zoals bijvoorbeeld dat ze slim, serieus en zorgvuldig is, ze precies is op de inhoud van de procedure, collega’s en opdrachtgevers adequaat informeert en goed is in het analyseren van ingewikkelde zaken voor het inspectiewerk. Dat neemt echter niet weg dat er naast deze positieve klanken ook steeds terugkerende ernstige kritiek op haar wijze van communiceren in woord en geschrift is geuit.

4.12.

De minister heeft voldoende onderbouwd dat de communicatieve vaardigheden van appellante onvoldoende waren en dat appellante niet naar behoren functioneerde. Deze beroepsgrond van appellante slaagt niet.

4.13.

Wat betreft de vraag of appellante voldoende kans is geboden haar functioneren te verbeteren, wijst de Raad erop dat haar na het functioneringsgesprek van 1 februari 2008 waarbij zij is ontheven van haar accounttaken, een traject is geboden ter verbetering van haar communicatieve vaardigheden. Specifiek ging het om de wijze van reageren als [naam functie A] op lastiger situaties in relatie tot externen maar ook met collega’s en de leidinggevende zelf, zoals onder 4.8 is beschreven. Nadien heeft de hoofdinspecteur in een e-mail van 26 oktober 2008 nog toegelicht dat het gaat om situationeel reageren, dat wil zeggen nagaan welke beweegredenen de andere partij heeft om te reageren zoals die reageert om vervolgens te bepalen welke reactie het meeste effect heeft om tot acceptatie van de boodschap te komen.

4.14.

De Raad heeft vastgesteld dat de begeleiding door de externe coach tijdens het verbetertraject van februari 2009 tot oktober 2009 niet was gericht op verbetering en training van gespreksvoering (technieken) bij het houden van interviews. Tevens is gebleken dat inmiddels werd gewerkt met een andere voor appellante onbekende interviewmethodiek. Vervolgens heeft appellante, nadat zij anderhalf jaar geen accountwerkzaamheden had gedaan, en na het eenmalig meekijken met interviews en verslaglegging daarvan, zelf twee interviews gedaan ter oefening volgens een nieuwe methode waarmee zij niet eerder had gewerkt. Daarop heeft zij feedback ontvangen. Daarna heeft appellante de interviews op

30 oktober 2009 gedaan waarbij zij beoordeeld werd op haar vaardigheden. Niet kan worden gezegd dat daarmee aan appellante een reële verbeterkans is geboden, waarbij zij gedurende een zekere tijd de kans heeft gekregen om haar functioneren op een voldoende niveau te brengen, in dit geval het afnemen van de interviews. Appellante heeft na een periode waarin zij niet in de gelegenheid was haar vaardigheden te onderhouden en waarin haar geen adequate begeleiding werd aangeboden ter verbetering van haar communicatieve vaardigheden, als het ware een examen moeten afleggen. Bovendien is V niet de afspraak nagekomen om met appellante voorafgaand aan de interviews te bespreken op welke punten zou worden gelet. De minister heeft appellante dan ook geen voldoende kans geboden haar functioneren te verbeteren. De daartegen gerichte beroepsgrond van appellante slaagt.

4.15.

Het onder 4.14 overwogene brengt mee dat de minister niet bevoegd was appellante vanwege onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van haar functie te ontslaan. Het ontslag van appellante op de primaire ontslaggrond houdt geen stand.

4.16.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepsgronden van appellante tegen de subsidiaire ontslaggrond beoordelen. Onder verwijzing naar wat

onder 4.10 is overwogen stelt de Raad vast dat in ieder geval vanaf 2003 sprake is geweest van een jarenlange moeizame realatie tussen appellante en vier opeenvolgende leidinggevenden en verscheidene naaste collega’s. De verhouding tussen appellante en de medewerkers van IJZ is daardoor dusdanig beschadigd dat haar collega’s niet langer met appellante wilden samenwerken. De omstandigheid dat V niet meer werkzaam was bij de IJZ ten tijde van het ontslag, betekent niet dat geen sprake meer was van verstoorde verhoudingen. In het traject vanaf eind 2010, waarbij is gezocht naar een oplossing in de vorm van detachering en het deelnemen aan een assessment om te onderzoeken welke werkzaamheden appellante zou kunnen verrichten, heeft appellante zich structureel onwillig opgesteld en volhard in haar opstelling dat zij uitsluitend terug wilde keren in haar functie van [naam functie A], bij voorkeur bij IJZ. Zelfs nadat namens de minister begin 2011 nadrukkelijk was uitgesproken dat aan de detachering niet de eis was verbonden dat appellante de lopende bezwaarprocedures zou intrekken, heeft appellante het aanbod van mogelijke detachering bij de NVWA en een outplacementtraject naast zich neergelegd. Ook al was appellante het niet eens met de diverse besluiten die de minister had genomen, van haar mocht verwacht worden dat zij zich constructief opstelde ten opzichte van de mogelijkheden die de minister haar vervolgens bood om weer aan het werk te kunnen gaan. Met de minister wordt geoordeeld dat de opstelling van appellante, een toereikende grond vormde voor het verlenen van ontslag wegens ernstige verstoring van de arbeidsverhouding gevolgd door een impasse en dat voortzetting van het dienstverband niet langer van de minister kan worden gevergd.

4.17.

Bij de beantwoording van de vraag of de minister bij het gebruik maken van zijn ontslagbevoegdheid kon volstaan met de toegekende uitkering, bestaande uit de minimumgarantie als bedoeld in artikel 99, tweede lid, van het ARAR, is van belang welk aandeel beide partijen hebben gehad in het ontstaan en voorbestaan van de impasse. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2043) is een minimumgarantie op een ontslaguitkering onvoldoende als komt vast te staan dat de minister daarin een overwegend aandeel heeft gehad, of als een uitkering op minimumniveau gezien de omstandigheden niet redelijk kan worden geacht.

4.18.

Gegeven hetgeen hiervoor is overwogen, kan niet worden gezegd dat het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen in overwegende mate aan de minister te wijten is geweest. De minister was daarom niet gehouden om aan appellante een ontslagvergoeding boven de minimumgarantie toe te kennen.

4.19.

De conclusie is dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking voor zover de rechtbank het ontslag op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR in stand heeft gelaten. De Raad zal het bestreden besluit in zoverre vernietigen.

5. Aanleiding bestaat de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van appellante. Voor een proceskostenveroordeling in beroep bestaat geen aanleiding, omdat appellante zelf de gronden van beroep heeft ingediend en voor het verschijnen ter zitting van de rechtbank in de ter zitting gevoegd behandelde zaken al een vergoeding is toegekend. In hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking de proceskosten tot een bedrag van € 980,- (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 november 2011 gegrond en vernietigt het

besluit van 23 november 2011 voor zover appellante ontslag is verleend op grond van

artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van

€ 980,-;

- bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 406,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.J.A.M van Brussel en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2015.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) S.W. Munneke

HD