Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3970

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
16-11-2015
Zaaknummer
14-4116 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:5838, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Gezien de ernst van het plichtsverzuim is de opgelegde maatregel van ontslag niet onevenredig. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de ongeoorloofde afwezigheid van appellante een structureel karakter droeg. Voorts is zij herhaaldelijk expliciet gewaarschuwd dat dit tot rechtspositionele maatregelen zou leiden. Deze waarschuwingen hebben er echter niet toe geleid dat appellante haar gedragspatroon heeft gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4116 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [standplaats] van

20 juni 2014, 13/3381 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.J. Wybenga, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens de minister heeft mr. L.E. Heerma van Voss een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wybenga. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Heerma van Voss, mr. C. Herstel en M. Kuijlaars.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is met ingang van 1 april 2000 aangesteld bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie ([naam werkgever 2]), standplaats [standplaats], om werkzaamheden als (forensisch) psychiater te verrichten. De omvang van haar aanstelling bedroeg vanaf

1 januari 2010 22 uur per week. Haar takenpakket bestond uit werkzaamheden in verband met voorgeleidingen bij de rechter-commissaris te [plaatsnaam 1] op maandag, het bieden van psychiatrische zorg door het houden van zorgconsulten in de Penitentiaire Inrichting (PI) [naam PI] te [plaatsnaam 1] op dinsdag en het houden van een driewekelijks indicatieoverleg te [plaatsnaam 1] op woensdagochtend. Daarnaast voert appellante een eigen praktijk als psychiater.

1.2.

Bij besluit van 3 januari 2012 is appellante opgedragen met ingang van week twee van dat jaar gedurende een periode van vier maanden gedurende dertien uur per week werkzaamheden bij het [naam werkgever 2] [plaatsnaam 2] te verrichten. Gedurende negen uur per week moet zij haar werkzaamheden blijven verrichten in verband met voorgeleidingen bij de

rechter-commissaris te [plaatsnaam 1]. Bij e-mail van 8 februari 2012 heeft het waarnemend hoofd [naam werkgever 2] [plaatsnaam 2], L, appellante dringend verzocht om op zowel dinsdag als donderdag gedurende vijfeneenhalf uur in die inrichting aanwezig te zijn. L heeft appellante verder meegedeeld dat zij in werktijd een uur mag reizen. Bij brief van 15 februari 2012 heeft de algemeen directeur van het [naam werkgever 2], H, appellante de dienstopdracht gegeven dat zij twee dagen per week, minimaal vijfeneenhalf uur per dag, in [naam PI] aanwezig is. Bij besluit van

4 mei 2012 heeft de minister appellante opgedragen met ingang van 7 mei 2012 gedurende een periode van zes maanden gedurende 22 uur per week werkzaamheden bij het

[naam werkgever 2] [plaatsnaam 2] te verrichten waarbij ze in elk geval op de maandag zal worden ingezet in het Penitentiair Psychisch Centrum (PPC). Zij dient op maandag negen uur te werken en op dinsdag en donderdag zeseneenhalf uur. Zij wordt daarbij in de gelegenheid gesteld om per werkdag één uur van haar diensttijd als reistijd aan te merken.

1.3.

Bij besluit van 24 juli 2012 heeft de minister appellante met toepassing van artikel 80 en artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) wegens zeer ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante op 10 januari, 7, 9, 16 en 28 februari, 1, 8, 20 en 22 maart, 5, 10, 12, 17, 26 april en 3, 7 en 21 mei 2012 en in de periode vanaf 29 mei 2012 ongeoorloofd afwezig is geweest. Daarnaast heeft appellante geweigerd werkafspraken na te komen.

1.4.

Bij besluit van 16 april 2013 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 24 juli 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft aangevoerd dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat zij op 7, 9, 16 en 28 februari, 1 en 22 maart

alsmede 10, 12, 17 en 26 april 2012 korter dan vijfeneenhalf uur bij [naam PI] aanwezig is geweest. Appellante wordt hierin niet gevolgd. De minister heeft zijn standpunt onderbouwd met een uitdraai van de in- en uitloggegevens van appellante die door

[naam PI] zijn aangeleverd. Uit die gegevens blijkt dat tussen het tijdstip van binnenkomst van appellante en het tijdstip van haar vertrek op de betreffende dagen steeds minder dan vijfeneenhalf uur is gelegen en dat appellante op die dagen doorgaans slechts ongeveer drie uur aanwezig was. Anders dan appellante, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de minister die gegevens niet ter onderbouwing van zijn standpunt had mogen gebruiken omdat ze onbetrouwbaar zouden zijn. De door appellante gestelde omstandigheid dat het systeem niet in het leven is geroepen om arbeidstijden vast te leggen, maar uitsluitend om aanwezigheid te registreren met het oog op calamiteiten brengt niet met zich dat die registratie voor de onderbouwing van het standpunt van de minister geen betekenis heeft. Voorts is van belang de inhoud van het evaluatiegesprek dat appellante op 13 maart 2012 heeft gehad met L. Blijkens een door het [naam werkgever 2] opgesteld verslag van dat gesprek heeft L appellante meegedeeld dat zij niet de afgesproken vijfeneenhalf uur aanwezig was, waarop appellante heeft gereageerd met de mededeling dat zij op dinsdag vanaf ongeveer 10:00 tot 13:30 uur aanwezig is en op de donderdag van 13:00 tot 17:30 uur. Dat is minder dan de aan appellante opgedragen aanwezigheid bij [naam PI] van vijfeneenhalf uur per dag.

4.2.

Appellante heeft verder aangevoerd dat van ongeoorloofd verzuim op 8 maart 2012 geen sprake was, omdat zij op die dag gewoon heeft gewerkt. Appellante wordt hierin niet gevolgd. Uit de in- en uitloggegevens van [naam PI] blijkt niet dat appellante daar die dag aanwezig is geweest. De minister heeft voorts onweersproken gesteld dat appellante om

14.30

uur een bespreking had op het kantoor van het [naam werkgever 2] [plaatsnaam 2] en dat zij na afloop daarvan om 16:40 uur weer naar huis is vertrokken.

4.3.

Appellante heeft niet betwist dat zij op 10 januari, 20 maart, 5 april en 3 mei 2012 niet aanwezig is geweest bij [naam PI] en evenmin op 7 en 21 mei 2012 alsmede vanaf

29 mei 2012 bij het [naam werkgever 2] [plaatsnaam 2]. Zij heeft aangevoerd dat van ongeoorloofd verzuim op die dagen geen sprake is geweest. Zij heeft gesteld dat haar is meegedeeld dat haar van haar afwezigheid op 10 januari geen verwijt zal worden gemaakt, zij op 20 maart was uitgenodigd voor overleg met de directie van het [naam werkgever 2] in Utrecht, op 5 april heeft deelgenomen aan een congres, op 3 mei niet in staat was om een spreekuur te doen omdat de gehele medische dienst en alle psychologen afwezig waren in verband met de crematie van een verpleegkundige, dat de correspondentie waarin stond vermeld stond dat zij zich op 7 mei om 8:30 uur moest melden bij het PPC haar niet tijdig heeft bereikt en dat zij op 21 mei en de periode vanaf

29 mei ziek was.

4.4.1.

De in rechtsoverweging 4.3 weergegeven beroepsgrond treft geen doel. De Raad is met de minister van oordeel dat op de betreffende data en in de genoemde periode wel sprake was van ongeoorloofd verzuim. Hij overweegt daartoe als volgt.

4.4.2.

Appellante heeft haar stelling dat haar van de zijde van het [naam werkgever 2] is meegedeeld dat haar van haar afwezigheid op 10 januari 2012 geen verwijt zal worden gemaakt niet aannemelijk gemaakt. Zij heeft die stelling niet onderbouwd en de minister heeft die gemotiveerd betwist.

4.4.3.

De Raad volgt evenmin de stelling van appellante dat het voor haar na afloop van de bespreking in Utrecht op 20 maart 2012 onmogelijk was nog werkzaamheden bij [naam PI] te verrichten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat die bespreking om

10:30 uur is aangevangen en ongeveer een uur heeft geduurd. Na afloop daarvan had appellante naar [naam PI] kunnen reizen om aldaar werkzaamheden te verrichten.

4.4.4.

Dat appellante heeft deelgenomen aan een congres vormt op zichzelf beschouwd geen rechtvaardiging voor haar afwezigheid bij [naam PI] op 5 april 2012, aangezien zij voor deelname aan dat congres in werktijd geen toestemming heeft gekregen. Appellante heeft voor die datum weliswaar verlof aangevraagd en gekregen, maar vervolgens via het administratieve systeem (P-Direct) slechts drie uur verlof ingevoerd, terwijl dat zeseneenhalf uur hadden moeten zijn.

4.4.5.

De Raad volgt voorts het standpunt van de minister dat de door appellante genoemde omstandigheid dat de gehele medische dienst en alle psychologen afwezig waren er niet aan in de weg hoefde te staan dat zij op 3 mei 2012 aanwezig was bij [naam PI] om werkzaamheden te verrichten. Appellante heeft de stelling van de minister dat zij over haar afwezigheid op die dag niet met haar leidinggevende heeft overlegd, niet betwist.

4.4.6.

Ook op 7 mei 2012 is appellante ongeoorloofd afwezig geweest. Van betekenis in dit verband zijn de door de algemeen directeur van het [naam werkgever 2] in zijn brief van 8 mei 2012 geschetste verwikkelingen die door appellante niet zijn weersproken. In die brief komt naar voren dat L, appellante op 4 mei 2012 telefonisch heeft verzocht om op 7 mei om 9:00 uur te verschijnen op het [naam werkgever 2] [plaatsnaam 2]. Appellante heeft vervolgens per e-mail L te kennen gegeven niet aan dat verzoek te voldoen, dat het wel kan zijn dat de landelijke [naam werkgever 2]-leiding haar bij [naam werkgever 2] [plaatsnaam 2] wil laten werken maar dat zij tegen een dergelijk besluit bezwaar zal maken. Vervolgens heeft L op 7 mei om 8:45 uur en

12:33 uur vergeefs getracht appellante telefonisch te bereiken. Wel heeft L de voicemail van appellante ingesproken met het verzoek terug te bellen. Om 15:30 uur heeft appellante teruggebeld. Zij heeft verteld dat zij eerst in de loop van de dag het besluit van 4 mei 2012 had ontvangen. Tijdens dat gesprek heeft L appellante verzocht alsnog te komen, maar appellante vond het hiervoor te laat.

4.4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante zich op 8 mei 2012 ziek heeft gemeld en dat appellante de bedrijfsarts heeft bezocht. De bedrijfsarts is tot de conclusie gekomen dat de klachten van appellante niet berusten op ziekte of gebrek, maar dat sprake is geweest van een normale spannings- en emotionele reactie op een vervelende situatie die samenhangt met de werksituatie. De bedrijfsarts heeft geadviseerd een ‘time-out’ in acht te nemen met de bedoeling in deze periode een minnelijke oplossing van de problematiek tot stand te brengen. H heeft ingestemd met een time-out tot 29 mei 2012. Op 15 mei 2012 heeft L appellante telefonisch en per e-mail benaderd met de mededeling dat zij op maandag 21 mei 2012 werd verwacht om afspraken te maken over haar werkhervatting. Zij is toen niet verschenen. Na afloop van de time-out op 29 mei 2012 heeft zij haar werkzaamheden niet hervat. Anders dan appellante heeft aangevoerd, brengt het gegeven dat de datum waarvoor zij was opgeroepen om over werkhervatting te praten was gelegen in de time-out niet mee dat zij aan die oproep geen gehoor hoefde te geven. De time-out was juist bedoeld om problemen in de werksituatie op te lossen en om te komen tot afspraken over werkhervatting. Ook over de periode vanaf

29 mei 2012 was sprake van ongeoorloofd verzuim. De time-out was immers verstreken en appellante heeft haar werkzaamheden niet hervat. Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat zij in de periode vanaf 29 mei 2012 wegens ziekte haar werkzaamheden niet kon verrichten. Uit de gedingstukken komt niet naar voren dat zij zich op of omstreeks die datum opnieuw heeft ziek gemeld of zich tot de bedrijfsarts heeft gewend. Evenmin heeft appellante medische gegevens overgelegd ter onderbouwing van haar stelling.

4.5.

Gelet op wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.4.7 heeft de minister aannemelijk gemaakt dat appellante op de data en in de periode genoemd onder 1.3 ongeoorloofd afwezig is geweest. Appellante heeft aldus gedaan wat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten, zodat van plichtsverzuim sprake is. Dit plichtsverzuim kan appellante worden toegerekend. De minister was dan ook bevoegd appellante een disciplinaire maatregel op te leggen.

4.6.

Gezien de ernst van het plichtsverzuim is de opgelegde maatregel van ontslag niet onevenredig. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de ongeoorloofde afwezigheid van appellante een structureel karakter droeg. Voorts is zij herhaaldelijk expliciet gewaarschuwd dat dit tot rechtspositionele maatregelen zou leiden. Deze waarschuwingen hebben er echter niet toe geleid dat appellante haar gedragspatroon heeft gewijzigd. De Raad deelt niet het standpunt van appellante dat aan het plichtsverzuim niet zo zwaar moet worden getild, omdat zij een medisch professional is, een vertrouwensfunctie heeft en, afgezien van de aanwezigheid op de werkplek, de haar toevertrouwde werkzaamheden steeds naar behoren heeft verricht. Appellante heeft er voorts met nadruk op gewezen dat sprake is geweest van een - door een samenval van factoren - zeer ongelukkig, nodeloos escalerend geschil, waarin ook een rol heeft gespeeld dat zij door haar leidinggevende niet serieus is genomen toen zij een misstand aan de kaak stelde omdat die misstand door haar toenmalige leidinggevende werd geïnterpreteerd in termen van een onverenigbaarheid van karakters en dat de haar toegezegde mediation niet heeft plaatsgevonden. Die omstandigheden maken het door appellante gepleegde plichtsverzuim van ongeoorloofde afwezigheid op de werkplek echter niet minder ernstig. Wat appellante over de gevolgen van het ontslag naar voren heeft gebracht, leidt er niet toe dat de minister had moeten volstaan met een minder zware disciplinaire straf dan ontslag.

4.7.

Nu het plichtsverzuim van ongeoorloofde afwezigheid op de werkplek de disciplinaire straf van ontslag zelfstandig kan dragen, behoeft de andere door de minister aan appellante verweten gedraging, namelijk dat zij heeft geweigerd werkafspraken na te komen, geen bespreking.

4.8.

De Raad komt op grond van wat in rechtsoverweging 4.1 tot en met 4.7 is overwogen tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan J.J.A. Kooijman als voorzitter en K.J. Kraan en M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2015.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD