Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3964

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
17-11-2015
Zaaknummer
14-4839 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Weigering Wubo-uitkering. Niet gebleken dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4839 WUBO

Datum uitspraak: 12 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 juli 2014, kenmerk BZ01732689 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2015. Daar is appellant verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1945, heeft in oktober 2013 bij verweerder een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wubo. Appellant stelt dat zijn lichamelijke klachten in verband staan met het in maart 1945 noodgedwongen moeten verlaten van het Westeinde ziekenhuis waar hij als baby van acht dagen oud werd behandeld voor een ontsteking aan zijn linkerknie. Vanwege het bombardement op het Bezuidenhout moesten hij en zijn moeder het ziekenhuis verlaten om plaats te maken voor slachtoffers van dat bombardement en is de behandeling van zijn linkerknie afgebroken, aldus appellant.

1.2.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 10 februari 2014. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Volgens verweerder is onvoldoende aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

In artikel 2 van de Wubo is bepaald dat - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer wordt verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen ten gevolge van met krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden, dan wel ten gevolge van handelingen of maatregelen welke door of namens de vijandelijke bezettende macht tegen hem werden gericht, ten gevolge waarvan hij blijvend invalide is geworden.

2.2.

De Raad kan verweerder volgen in diens standpunt dat in het geval van appellant niet is gebleken dat hij gebeurtenissen heeft meegemaakt die onder de werking van de Wubo kunnen worden gebracht. Uit hetgeen appellant naar voren heeft gebracht blijkt niet dat hij bij het bombardement op het Bezuidenhout direct betrokken is geweest, zoals de Wubo vereist. Het moeten verlaten van het ziekenhuis kan niet worden aangemerkt als een maatregel in de zin van de Wubo, aangezien de beslissing van het ziekenhuis om patiënten heen te zenden ten einde plaats te maken voor slachtoffers van het bombardement geen maatregel betreft dat uit bezettingsoogmerk (door de Duitsers) is genomen. Het heenzenden is dan ook een indirect gevolg van het bombardement en kan om die reden niet als een gebeurtenis in de zin van de Wubo worden aangemerkt. De slechte levensomstandigheden tijdens de oorlogsjaren, waaronder wordt begrepen verminderde mogelijkheden voor medische behandeling, kunnen op zichzelf niet meebrengen dat de beenaandoening van appellant onder de werking van de Wubo kan worden gebracht.

2.3.

Voor zover appellant een beroep heeft gedaan op de anti-hardheidsbepaling van artikel 3, tweede lid, van de Wubo merkt de Raad op dat deze anti-hardheidsbepaling alleen kan worden toegepast op degene van wie is vastgesteld dat hij oorlogsgeweld in de zin van de Wubo heeft ondergaan en ten tijde van de aanvraag niet beschikt over de Nederlandse nationaliteit. In de situatie van appellant doet zich dat niet voor zodat hij niet met succes een beroep kan doen op de in de Wubo neergelegde anti-hardheidsbepaling.

2.4.

De Raad onderkent dat het ontbreken van een adequate medische behandeling van de beenaandoening van appellant waarschijnlijk heeft geleid tot blijvende lichamelijke gevolgen. De Wubo heeft echter een beperkte strekking en ziet alleen op de daarin omschreven gebeurtenissen.

2.5.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en het beroep van appellant ongegrond moet worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2015.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD