Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3961

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
16-11-2015
Zaaknummer
14-1275 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Reorganisatie. Functietypering. Plaatsingsbesluiten. In geschil is de koppeling van de functie ‘adviseur juridische zaken’ aan de functietypering juridisch adviseur B (schaal 11). Appellanten betogen dat die functie moet worden gekoppeld aan functietypering juridisch adviseur A (schaal 12). Het bestuur heeft de functie van ‘adviseur juridische zaken’ waarop appellanten zijn geplaatst kunnen koppelen aan de functietypering juridisch adviseur B. Dat de in het functieboek afdeling Toezicht en Handhaving opgenomen functiebeschrijving van de functie ‘adviseur juridische zaken’ met functietypering juridisch adviseur B nagenoeg gelijk is aan de functietypering van juridisch adviseur A in het functieboek Waternet dient te worden aangemerkt als fout maar het bestuur hoefde aan die fout niet de consequentie te verbinden om op de functie ‘adviseur juridische zaken’ de functietypering juridisch adviseur A van toepassing te verklaren. Het bestuur heeft ter zitting van de Raad overtuigend uiteengezet dat die functie niet inhoudt dat degene die daarop is geplaatst zich bezig houdt met strategisch juridisch beleid, maar dat hij werkzaamheden verricht die in hoofdzaak operationeel van aard zijn. De Raad ziet in wat (...) is overwogen over de door het bestuur gemaakte fout aanleiding om te bepalen dat het bestuur aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt. Tevens ziet de Raad daarin aanleiding het bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.960,- voor verleende rechtsbijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1275 AW, 14/1284 AW

Datum uitspraak: 12 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2014, 13/869 (aangevallen uitspraak I) en 13/840 (aangevallen uitspraak II)

Partijen:

[appellant 1] te [woonplaats 1] en [appellant 2] te [woonplaats 2] (appellanten)

het bestuur van de stichting Waternet (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L. van Dijk hoger beroep ingesteld.

Namens het bestuur heeft mr. G. Cuperus een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting, waar de zaken gevoegd zijn behandeld met zaak 14/1313, heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2015. Appellant [appellant 1] is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk die tevens appellant [appellant 2] vertegenwoordigt. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Cuperus, M. Wets en M.V. van Die.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

Het onderzoek is heropend na zitting.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellanten waren tot 1 januari 2011 werkzaam bij de gemeente [gemeente] in de functie van jurist nautische zaken . Per 1 januari 2011 is de [dienst] gefuseerd met Waternet en zijn appellanten met ingang van die datum in dienst getreden bij Waternet in de functie van jurist handhaving met functietypering juridisch adviseur B, schaal 11, volgens het functieboek Waternet.

1.2.

In juni 2011 is het beleidsvoornemen bekend gemaakt om de afdeling handhaving te reorganiseren. Doel van de reorganisatie was onder meer het inrichten van een handhavingsorganisatie waarin de taken en werkwijzen van de betrokken fusieonderdelen volledig zijn geïntegreerd. De reorganisatie is neergelegd in de Eindrapportage Reorganisatie afdeling Handhaving van 10 april 2012. De taakomschrijvingen met daarbij behorende functietyperingen zijn opgenomen in het functieboek afdeling Toezicht en Handhaving van

17 april 2012. Beide documenten zijn met instemming van de ondernemingsraad vastgesteld door de directie.

2.1.

Nadat het bestuur een voornemen daartoe had bekendgemaakt en appellanten hun bedenkingen naar voren hadden gebracht, zijn appellanten bij besluiten van 31 augustus 2012 (plaatsingsbesluiten) met ingang van 1 september 2012 definitief geplaatst in de functie van ‘adviseur juridische zaken’ met de functietyperingsnaam juridisch adviseur B, schaal 11.

2.2.

Bij besluiten van 9 januari 2013 (bestreden besluiten) heeft het bestuur de bezwaren tegen de plaatsingsbesluiten voor zover gericht tegen de waardering van de functie niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren voor zover gericht tegen de definitieve plaatsing in de functie van ‘adviseur juridische zaken’ met de functietypering juridisch adviseur B ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten ongegrond verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 6 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2652) is de rechterlijke toetsing bij de inpassing in een generieke functie terughoudend. Die toetsing is beperkt tot de vraag of de inpassing op voldoende gronden berust. Dit betekent dat de bestreden inpassing niet in stand kan blijven als deze onhoudbaar is. Daarvoor is ontoereikend dat inpassing in een ander, hoger gewaardeerd functieprofiel op zichzelf verdedigbaar is.

4.2.

In geschil is de koppeling van de functie ‘adviseur juridische zaken’ aan de functietypering juridisch adviseur B (schaal 11). Appellanten betogen dat die functie moet worden gekoppeld aan functietypering juridisch adviseur A (schaal 12). Zij wijzen er in dit verband op dat de functiebeschrijving van de functie ‘adviseur juridische zaken’ die is opgenomen in het functieboek afdeling Toezicht en Handhaving nagenoeg gelijk is aan de functietypering juridisch adviseur A in het functieboek Waternet.

4.3.

Het betoog van appellanten slaagt niet. Het bestuur heeft de functie van ‘adviseur juridische zaken’ waarop appellanten zijn geplaatst kunnen koppelen aan de functietypering juridisch adviseur B. Dat de in het functieboek afdeling Toezicht en Handhaving opgenomen functiebeschrijving van de functie ‘adviseur juridische zaken’ met functietypering juridisch adviseur B nagenoeg gelijk is aan de functietypering van juridisch adviseur A in het functieboek Waternet dient te worden aangemerkt als fout maar het bestuur hoefde aan die fout niet de consequentie te verbinden om op de functie ‘adviseur juridische zaken’ de functietypering juridisch adviseur A van toepassing te verklaren. Het bestuur heeft ter zitting van de Raad overtuigend uiteengezet dat die functie niet inhoudt dat degene die daarop is geplaatst zich bezig houdt met strategisch juridisch beleid, maar dat hij werkzaamheden verricht die in hoofdzaak operationeel van aard zijn. Met het strategisch juridisch beleid houden zich twee juristen bezig met een functie waaraan de functietypering juridisch adviseur A is gekoppeld. Ook de door appellanten ter zitting van de Raad gegeven voorbeelden wijzen erop dat hen in de functie ‘adviseur juridische zaken’ werkzaamheden van in hoofdzaak operationele aard worden opgedragen. Gezien de vrijheid die het bestuur toekomt om de organisatie naar eigen inzicht in te richten, valt niet in te zien dat de functie van ‘adviseur juridische zaken’ niet mocht worden gekoppeld aan de functietypering juridisch adviseur B.

4.4.

Uit het onder 4.1 tot en met 4.3 overwogene volgt dat de aangevallen uitspraken van de rechtbank dienen te worden bevestigd.

5. De Raad ziet in wat in overweging 4.3 is overwogen over de door het bestuur gemaakte fout aanleiding om te bepalen dat het bestuur aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt. Tevens ziet de Raad daarin aanleiding het bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.960,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- bepaalt dat het bestuur aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 478,- vergoedt;

- veroordeelt het bestuur in de kosten van appellanten in hoger beroep tot een bedrag van

€ 1.960,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en

M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2015.

(getekend) J.J.A. Kooijman

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD