Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3954

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
14/4568 ZVW
Formele relaties
Vervallenverklaard door: ECLI:NL:CRVB:2016:438
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is vervallen verklaard bij uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:438.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/2127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4568 ZVW

Datum uitspraak: 11 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 juli 2014, 13/7861 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het Zorginstituut Nederland (Zorginstituut), als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Namens appellant heeft mr. M.J. van Dam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.

Het Zorginstituut heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2015. Appellant is niet verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorginstituut heeft in een brief van 11 juli 2012 aan appellant meegedeeld dat hij een zorgverzekering moet afsluiten en dat het Zorginstituut hem een boete oplegt als hij zich niet over drie maanden heeft verzekerd.

1.2.

Het Zorginstituut heeft bij besluit van 25 oktober 2012 aan appellant een boete van

€ 356,49 opgelegd omdat hij op 11 oktober 2012 nog geen zorgverzekering had afgesloten. In dat besluit heeft het Zorginstituut meegedeeld dat appellant een tweede boete wordt opgelegd als hij zich niet over drie maanden heeft verzekerd.

1.3.

Bij besluit van 15 februari 2013 heeft het Zorginstituut aan appellant een tweede boete van € 369,51 opgelegd omdat hij op 25 januari 2013 nog steeds geen zorgverzekering had afgesloten. Verder heeft het Zorginstituut appellant gesommeerd om binnen drie maanden een zorgverzekering af te sluiten. Daarbij heeft het Zorginstituut vermeld dat in het geval appellant dat nalaat, het Zorginstituut namens hem een zorgverzekering afsluit.

1.4.

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft het Zorginstituut appellant te kennen gegeven dat hij geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek om een zorgverzekering af te sluiten en dat het Zorginstituut op 12 juni 2013 daarom namens hem per 1 juli 2013 een zorgverzekering heeft afgesloten. Verder is appellant te kennen gegeven dat hij met ingang van die datum een bestuursrechtelijke premie verschuldigd is van € 123,17 per maand.

1.5.

Het Zorginstituut heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 juni 2013 bij besluit van 20 augustus 2013 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - voor zover van belang - overwogen dat tegen het besluit van 25 juni 2013 dat gaat over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie geen bezwaar en beroep mogelijk is. Anders dan appellant meent, is bij het besluit van 15 februari 2013 wel een last tot het afsluiten van een zorgverzekering als bedoeld in artikel 9c, derde lid, van de Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellant

- samengevat - aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hem bij het besluit van 15 februari 2013 een last is opgelegd als bedoeld in artikel 9c, derde lid van de Zvw. Uit de tekst van het besluit van 25 juni 2013 valt deze last volgens appellant niet af te leiden. Het Zorginstituut heeft dan ook ten onrechte namens hem een zorgverzekering afgesloten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De grond dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat bij het besluit van

15 februari 2013 aan appellant een last is opgelegd om een zorgverzekering af te sluiten, slaagt niet. In het besluit van 15 februari 2013 staat het volgende:

Besluit: het CVZ sommeert u een zorgverzekering af te sluiten.

U moet binnen drie maanden na de datum van deze brief een zorgverzekering afsluiten. Als u dat nalaat, sluit het CVZ een zorgverzekering af namens u’

Dit is niet anders aan te merken dan een last dan wel een opdracht aan appellant om binnen drie maanden een zorgverzekering af te sluiten als bedoeld in artikel 9c, derde lid, van de Zvw bij gebreke waarvan het zorginstituut namens hem een verzekering sluit waarin hij hem verzekert. Niet valt in te zien dat het Zorginstituut hiertoe niet bevoegd zou zijn. De wetgever heeft daartoe in artikel 9c van de Zvw bepaald dat een tweede boete vergezeld gaat van een last.

4.2.

Het uitvoeren van de last waarbij het Zorginstituut namens de verzekeringsplichtige voor hem een zorgverzekering sluit waarin hij hem verzekert kan, gelet op het feit dat artikel 5:21, aanhef en onder b, van de Awb ingevolge artikel 9d, vierde lid, van de Zvw van overeenkomstige toepassing is, niet worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling. Er is daarmee ook geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar en berroep mogelijk is. De Raad wijst op de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 14 april 2015, ECLI:NL:CBB:2015:124. Gelet op de wetsgeschiedenis (rechtsoverweging 7.2. van de uitspraak van de Raad van 25 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3135) is dit ook in overeenstemming met wat de wetgever bij de totstandkoming van de artikelen 9c en 9d van de Zvw heeft beoogd.

4.3.

Hieruit volgt dat de hoger beroepsgrond van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4.4.

Overigens staat geen bezwaar of (hoger) beroep open tegen een besluit over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie. Voor het wettelijke kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewilligen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2015.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) P. Uijtdewilligen

AP